Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.BEOORDELING VAN HET GESCHIL
Ontvankelijkheid beroep
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Belanghebbende, een onderneming gevestigd te Aruba, had renteloze vorderingen op gelieerde vennootschappen en ontving geen vergoeding voor ondersteunende diensten van haar moedermaatschappij op Curaçao. De Inspecteur stelde bij de aanslagen winstbelasting voor 2008 en 2009 een fictieve rente van 8% vast over deze vorderingen en weigerde aftrek van een fictieve managementvergoeding vanwege de aftrekbeperking van artikel 6 Lv Pro WB.
Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de rente lager moest zijn (4% of 6%) en dat de fictieve managementvergoeding aftrekbaar was omdat er geen daadwerkelijke betaling plaatsvond en voldaan werd aan de 15% effectieve belastingdruk-eis. Het Gerecht oordeelde dat de rentevergoeding terecht werd vastgesteld op 8%, omdat een particuliere belegger een risico-opslag van minimaal 1,5% bovenop het staatsobligatierendement zou hanteren.
Verder erkende het Gerecht dat de arbeidskosten van de moedermaatschappij in principe aan belanghebbende toegerekend moeten worden, maar stelde dat de fictieve managementvergoeding onder de aftrekbeperking van artikel 6 Lv Pro WB valt. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd dat de moedermaatschappij daadwerkelijk aan de 15% effectieve belastingdruk voldeed, waardoor de aftrek werd geweigerd.
Het Gerecht verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond, maar wees de bezwaren tegen de aanslagen af. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gewezen door rechter mr. dr. A.J.H. van Suilen op 7 november 2018.
Uitkomst: De aanslagen winstbelasting 2008 en 2009 worden gehandhaafd met een fictieve rentevergoeding van 8% en weigering van aftrek van de fictieve managementvergoeding.