Appellanten maakten bezwaar tegen de beschikking van 19 maart 2019 waarbij de aanvraag van appellante sub 1 om een vergunning tot tijdelijk verblijf werd afgewezen. Verweerder nam geen beslissing op het bezwaar, waardoor appellanten beroep instelden bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.
Het gerecht constateerde dat de fictieve afwijzing van het bezwaar niet gemotiveerd was en daarom niet in stand kon blijven. Tevens oordeelde het gerecht dat appellante sub 2 geen belanghebbende was omdat zij niet namens appellante sub 1, maar uit eigen naam bezwaar had gemaakt, waardoor haar bezwaar niet-ontvankelijk was.
Het gerecht vernietigde de fictieve afwijzing, verklaarde het bezwaar van appellante sub 2 niet-ontvankelijk en bepaalde dat verweerder binnen drie maanden een reële beslissing moet nemen op het bezwaar van appellante sub 1. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht werd aan appellanten terugbetaald.