Appellant diende op 4 mei 2018 een asielverzoek in bij verweerder en maakte op 14 september 2018 bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing. Eerder had het gerecht reeds geoordeeld dat verweerder binnen een termijn een beslissing moest nemen, maar verweerder stelde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te vroeg was ingediend.
Het gerecht stelt vast dat op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) een termijn van twaalf weken geldt waarbinnen op een asielverzoek beslist moet worden, en dat het bezwaar binnen de daarvoor geldende termijn van acht weken na het verstrijken van deze periode tijdig is ingediend. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep wordt gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen twee maanden een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de totale procedure nog niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.