8.1.Appellant is op 11 februari 2014 en 14 juli 2014 door twee verschillende artsen gekeurd en geen van beide artsen heeft appellant volledig en blijvend arbeidsongeschikt bevonden. Appellant heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aan de conclusies van beide keuringsartsen moet worden getwijfeld. De verklaring van de behandelend geneeskundige revalidatiearts dr. K.C.L.B. Bennett van 25 juni 2014 houdt alleen in dat de toestand van appellant is verergerd en zijn functioneren is beperkt en weerspreekt niet de oordelen van beide keuringsartsen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de aan de beschikking van 21 juli 2014 ten grondslag gelegde medische keuringen die beschikking niet kunnen dragen.
De klachten falen.
9. De klacht van appellant dat de beschikking van 21 juli 2014 is genomen in strijd met artikel 21, tweede lid, van de Lar, omdat hierin niet is gemotiveerd dat en waarom is afgeweken van het advies van de bezwaaradviescommissie van 21 mei 2013, faalt evenzeer. Niet valt in te zien waarom in de beschikking van 21 juli 2014 zou moeten worden verwezen naar een advies van de bezwaaradviescommissie strekkende tot niet‑ontvankelijkverklaring van het bezwaar dat ten grondslag heeft gelegen aan de beschikking van 6 juni 2013, welke beschikking bij uitspraak van 20 november 2013 door het Gerecht is vernietigd.
10. Nu de klachten van appellant geen grond bieden voor het oordeel dat de beschikking van 29 juni 2012 in bezwaar – behoudens het vastgestelde bevoegdheidsgebrek – ten onrechte is gehandhaafd, zal het Hof bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking van 21 juli 2014 geheel in stand blijven, gelet op de omstandigheid dat de wel tot het nemen van die beschikking bevoegde minister als hiervoor aangegeven het onbevoegdelijk genomen besluit inmiddels voor zijn rekening heeft genomen.
11. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
II.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 april 2016 in zaak nr. LAR 2044 van 2014;
III.
verklaarthet in die zaak ingestelde beroep
gegrond;
IV.
vernietigtde beschikking van de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid van 21 juli 2014;
V.
bepaaltdat de rechtsgevolgen van de onder IV genoemde beschikking geheel in stand blijven;
VI.
veroordeeltde minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 2.800,- (zegge: twee duizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.
gelastdat de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid aan
[appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,- (zegge: honderd gulden) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Van der Poel
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017
Verzonden: 18 januari 2017