Uitspraak
1.DE PROCEDURE
- het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie op 5 november 2021;
- de e-mail van [gedaagde] met producties;
- de pleitaantekeningen van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 25 november 2021.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
In deze zaak vordert eiseres de opheffing van het executoriaal derdenbeslag dat op zijn loon is gelegd naar aanleiding van een verstekvonnis waarbij hij werd veroordeeld tot betaling van een geldsom aan gedaagde. Eiseres betwist de vordering en stelt dat hij geen huur verschuldigd is vanwege dubbele betalingen aan de vorige verhuurder, renovatie van de woning waardoor geen huurgenot bestond en het niet terugkrijgen van de borg.
Gedaagde betwist deze stellingen en wijst op de grote huurachterstand en het feit dat hij meerdere pogingen tot betalingsregeling heeft gedaan. De rechter past de maatstaf uit het Zeester-arrest toe en stelt vast dat het uitgangspunt is dat een verstekbeschikking uitvoerbaar bij voorraad blijft, tenzij een belangenafweging anders vereist.
De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van gedaagde bij executie van de geldvordering zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij het behoud van de huidige situatie. De door eiseres aangevoerde argumenten zijn onvoldoende onderbouwd en betreffen de kans van slagen van de verzetprocedure, die buiten beschouwing blijft tenzij sprake is van een kennelijke misslag, wat hier niet is vastgesteld.
Ook het argument dat het beslag onnodig is, wordt verworpen omdat eiseres niet uit eigen beweging een betalingsregeling heeft getroffen. De gestelde financiële problemen zijn onvoldoende concreet gemaakt om het beslag op te heffen. Daarom wijst de rechter het verzoek af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het executoriaal derdenbeslag wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.