ECLI:NL:OGEAA:2021:663
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.E.B. de Haseth
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen weigering precariovergunning voor strandstoelen
De coöperatieve vereniging Aruba Beach Club stelde beroep in tegen de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu vanwege de precariovergunning voor het plaatsen van 350 strandstoelen op openbare grond in 2017. De minister had geweigerd een precariovergunning te verlenen zonder betaling van een factuur.
Het gerecht oordeelde dat de minister bevoegd is tot het heffen van precario op grond van de Algemene Politieverordening en het Retributiebesluit. Het beroep richtte zich niet op de vergunning zelf, maar op de precarioheffing, wat buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter valt en onder de belastingrechter valt.
Appellante voerde aan dat zij rechthebbende was op de gronden of dat de precario reeds was verdisconteerd in erfpachtcanon, maar dit werd afgewezen omdat dit een privaatrechtelijke kwestie is die niet evident was en door de burgerlijke rechter moet worden beoordeeld.
Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concrete toezegging was gedaan door een bevoegd orgaan. Ook werd geoordeeld dat verlening van een precariovergunning met terugwerkende kracht niet verboden is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.B. de Haseth op 22 november 2021.
Uitkomst: Het beroep van Aruba Beach Club tegen de precariovergunning is ongegrond verklaard.