Uitspraak
Beslissing
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen facturen voor precariobelasting en voerden aan dat het Gerecht zich ten onrechte onbevoegd verklaarde voor het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Tevens betoogden zij dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningplicht aanwezig is en dat het Gerecht ten onrechte hierover oordeelde.
Het Hof overweegt dat de minister bevoegd is tot het verlenen van precariovergunningen en dat de beschikkingen van 19 augustus 2016 en 30 januari 2017 rechtsgevolg hebben doordat zij de vergunningverlening weigeren zolang de precariobelasting niet is voldaan. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat alleen bij evidentie van een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningplicht de burgerlijke rechter bevoegd is.
Verder oordeelt het Hof dat het aan de belastingrechter is om te beoordelen of de minister bevoegd is tot het heffen van precario, ook als appellanten stellen dat zij geen openbare grond innemen. De hoger beroepen zijn ongegrond en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.
Uitkomst: De hoger beroepen zijn ongegrond verklaard en de uitspraken van het Gerecht bevestigd.