De zaak betreft de verdenking dat verdachte op 9 februari 2018 gebruik zou hebben gemaakt van valse douanedocumenten en schuldwitwassen van 46 goudbaren (55 kilo) zou hebben gepleegd. Het openbaar ministerie eiste twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk.
De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting aan, onder meer vanwege vermeende schendingen van het recht op een eerlijk proces en willekeur in de vervolging. Het Gerecht verwierp deze formele verweren en oordeelde dat de dagvaarding geldig was en het Gerecht bevoegd.
Inhoudelijk oordeelde het Gerecht dat de valsheid in geschrifte niet bewezen kon worden omdat het douanedocument niet de tenlastelegging weerspiegelde en het formulier slordig was ingevuld zonder misleidingsbedoeling. Ook was onvoldoende bewijs dat het goud uit een misdrijf afkomstig was, waardoor schuldwitwassen niet kon worden bewezen.
Het Gerecht sprak verdachte vrij van beide tenlasteleggingen en gelastte de teruggave van in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte en rechthebbenden.