ECLI:NL:OGEAA:2025:349

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AUA202401661
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 lid 1 BWArt. 7:942 BWArt. 3:318 BWArt. 8 lid 1 Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Civiele procedure over schade-uitkering en arbitrageclausule in opstalverzekering

In deze civiele procedure vorderen eisers een schade-uitkering van hun opstalverzekeraar Fatum General Insurance Aruba N.V. na een explosie. Fatum erkent dekking, maar partijen verschillen over de hoogte van de uitkering. De polis bevat een arbitrageclausule voor geschillen over de schadevergoeding, maar partijen zijn er niet in geslaagd arbiters te benoemen. Op de comparitie is afgesproken dat partijen geen rechten meer ontlenen aan de arbitrageclausule en het Gerecht een beslissing neemt over de hoogte van het te betalen bedrag.

Fatum voert twee verweren aan: verjaring van de vordering op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro en artikel 7:942 BW Pro, en rechtsverwerking. Het Gerecht oordeelt dat de vordering niet verjaard is, omdat partijen tot juni 2021 over de benoeming van arbiters hebben gecorrespondeerd, waarmee Fatum het recht van eisers erkende. Ook het beroep op rechtsverwerking faalt, omdat eisers zich niet zodanig hebben gedragen dat Fatum gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat het recht niet meer zou worden uitgeoefend, en omdat de schade nog waarneembaar is en er schaderapporten zijn.

Het Gerecht verwijst de zaak naar een rolzitting voor een conclusie na tussenvonnis van eisers, waarop Fatum mag reageren, en houdt verdere beslissing aan. Hiermee wordt de procedure voortgezet om de hoogte van de schade-uitkering definitief vast te stellen.

Uitkomst: De verweren van Fatum worden verworpen en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling over de hoogte van de schade-uitkering.

Uitspraak

Vonnis van 19 november 2025
Behorend bij A.R. AUA202401661
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:

1.[Eiseres],

te Aruba,
2.[Eiser],
te Aruba,
eisers, hierna ook te noemen: [eisers] (enkelvoud)
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
tegen:
FATUM GENERAL INSURANCE ARUBA N.V., h.o.d.n. GUARDIAN GROUP FATUM GENERAL INSURANCE ARUBA en GUARDIAN GROUP GENERAL INSURANCE,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: Fatum,
gemachtigde: mr. J. Meulens, mr. R.G. Spinhoven
1.
Het verdere verloop van de procedure
1.1
Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 20 augustus 2025. Daarna heeft het Gerecht kennisgenomen van:
  • de akte comparitie d.d. 30 oktober 2025 van Fatum,
  • de akte van [eisers],
  • de zittingsaantekeningen waaruit blijkt dat partijen en gemachtigden op de comparitie zijn verschenen.
1.2
Vandaag wordt uitspraak gedaan.
2.
De verdere beoordeling
2.1
Alles wat is overwogen in het tussenvonnis geldt als hier letterlijk herhaald en ingelast.
2.2
Fatum is niet alleen de opstalverzekeraar van [eisers] maar ook de aansprakelijkheidsverzekeraar van het Land dat door [eisers] aansprakelijk wordt gehouden voor de schade als gevolg van de explosie. Zoals in het tussenvonnis is uitgelegd is in hoger beroep beslist dat Fatum noch het Land aansprakelijk zijn voor de schade van [eisers]. Deze procedure ziet op de aanstelling van arbiters op grond van de opstalpolis.
2.3
De polisvoorwaarden, die bij de akte van Fatum zijn overgelegd, bepalen dat als Fatum heeft beslist dat het evenement tot dekking onder de polis leidt maar partijen over de hoogte van de uit te keren vergoeding van mening verschillen er arbiters moeten worden benoemd. Eén door ieder van partijen en de derde door de arbiters. Fatum verleent dekking maar partijen verschillen van mening over de hoogte van de schade-uitkering onder de polis. Daarover moeten arbiters dus een knoop doorhakken. Partijen zijn er echter niet in geslaagd om arbiters te benoemen.
2.4
Op de comparitie hebben partijen afgesproken geen rechten meer te ontlenen aan de arbitrageclausule. Zij hebben aan het Gerecht gevraagd een beslissing te nemen over de hoogte van het door Fatum te betalen bedrag.
2.5
Verder is afgesproken dat het Gerecht eerst beslist op de twee door Fatum gevoerde verweren, namelijk het verjaringsverweer en het beroep op rechtsverwerking. Treft een van die verweren doel dan worden de vorderingen van [eisers] afgewezen. Als de verweren vergeefs zijn voorgesteld dan wordt [eisers] in de gelegenheid gesteld in een conclusie na tussenvonnis zijn vorderingen te herformuleren en zo nodig nader te onderbouwen. Daarop mag Fatum desgewenst reageren door middel van een antwoordconclusie na tussenvonnis.
2.6
Het Gerecht zet de feiten die voor de beoordeling van deze verweren van belang zijn op een rijtje. In 2015 vraagt Fatum aan [eisers] om op te schieten met de benoeming van zijn arbiter. Op 30 maart 2016 constateert Fatum in een e-mail aan [eisers] dat [eisers] dat zij maar niets hoort over de benoeming van haar arbiter en daarom een definitief standpunt inneemt, te weten dat de uitkering onder de polis maximaal Afl. 5.000,00 bedraagt. Op 16 juli 2019 schrijft de advocaat van [eisers] onder andere het volgende aan Fatum:
“Op 17 september 2014 bent u voor deze schade via mij aansprakelijk gesteld, waarbij u voorstelde een arbitrage in te gaan. Geschikte arbiters lijken op Aruba echter niet voorhanden.”En Fatum wordt uitgenodigd om binnen 14 dagen hierover met de advocaat van [eisers] in overleg te treden. Op 31 juli 2019 bericht de advocaat van [eisers] aan Fatum [eisers] positief te hebben geadviseerd over de arbitrage. Op 22 juni 2020 e-mailt hij aan Fatum dat arbitrage is geïndiceerd. In de maanden juni en juli 2020 mailen partijen met elkaar over personen die arbiter kunnen zijn. Op 29 maart 2021 doet [eisers] een voorstel voor een bepaalde persoon als arbiter. Direct laat Fatum weten dat die persoon niet acceptabel is. Op 16 juni 2021 laat Fatum weten liever het voormelde vonnis in hoger beroep af te wachten. Daarna gebeurt er niets meer tot op 5 september 2023 ([eisers] heeft op die dag haar procedure tegen het Land en Fatum in hoger beroep verloren) [eisers] aan Fatum een termijn van 14 dagen stelt om mee te werken aan de arbitrage.
2.7
Fatum doet een beroep op de verjaring van artikel 3:307 lid 1 BW Pro en op die van artikel 7:942 BW Pro in verband met artikel 8 lid 1 van Pro de Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW.
2.8
Eerst het beroep op artikel 3:307 lid 1 BW Pro. De vordering is opeisbaar op 30 maart 2016. Dan neemt Fatum namelijk het standpunt in dat partijen geen consensus hebben over benoeming van arbiters en dat zij de verzekeringsuitkering vaststelt op Af. 5.000,00. Fatum stelt dat niet rechtsgeldig is gestuit door [eisers] in de periode van 5 jaar nadien. Dat standpunt volgt het Gerecht niet. Artikel 3:318 BW Pro bepaalt dat erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient de verjaring van de rechtsvordering stuit tegen hem die het recht erkent. Welnu, in juni en juli 2020 mailen partijen met elkaar over personen die als arbiters zouden kunnen optreden. En in 2021 doet [eisers] nog een voorstel. Daarop reageert Fatum niet met de mededeling dat de vordering is verjaard maar zegt zij liever het vonnis in hoger beroep af te wachten (dat dus ziet op een andere rechtsverhouding, zoals hiervoor uitgelegd). Uit deze uitlatingen van Fatum blijkt dus dat zij het recht van [eisers] op benoeming van arbiters erkent en dus dat de hoogte van de schade-uitkering nog definitief moet worden vastgesteld. Kortom: op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro is de vordering niet verjaard.
2.9
Het beroep op artikel 7:942 BW Pro gaat evenmin op. Artikel 7:942 lid 3 BW Pro kent namelijk een soortgelijke regeling als artikel 3:318 BW Pro. Langs deze band geldt dus ook dat de verjaringstermijn elke keer als partijen over te benoemen arbiters mailen opnieuw aanvangt, zoals hiervoor is uitgelegd.
2.1
Blijft over het beroep op rechtsverwerking dat voor het eerst bij conclusie van dupliek wordt gedaan. Wil dit beroep slagen dan is noodzakelijk dat de rechthebbende ([eisers]) zich zodanig heeft gedragen dat bij de wederpartij (Fatum) het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij haar recht niet meer geldend maakt of dat de positie van de wederpartij onredelijk wordt benadeeld of bezwaard als het recht alsnog geldend wordt gemaakt. Fatum wijst op het lange tijdsverloop dat zij toeschrijft aan handelen van (de advocaat van) [eisers]. Bovendien is zij onredelijk benadeeld omdat na al die jaren het niet meer mogelijk is een goede schadevaststelling van de gevolgen van de explosie te maken. Ook dat het onmogelijk blijkt om arbiters te benoemen.
2.11
Het Gerecht overweegt dat het laatste bezwaar inmiddels is weggenomen door de afspraak tussen partijen dat geen rechten meer worden ontleend aan het arbitragebeding. Wat de lange termijn betreft is ontegenzeggelijk waar dat daarvan sprake is. Echter, uit de hiervoor aangehaalde uitlatingen van Fatum volgt dat zij er altijd, tot 16 juni 2021, rekening mee heeft gehouden dat deze alsnog zouden worden benoemd. Het Gerecht begrijpt niet wat het vonnis in hoger beroep met de benoeming van arbiters te maken heeft. Zoals hiervoor uitgelegd ziet dat vonnis immers op een andere rechtsverhouding. Na 16 juni 2021 ligt het dus aan Fatum dat er geen arbiters worden benoemd. Dat Fatum door het tijdsverloop in een nadeliger positie zou zijn gebracht is door haar niet aannemelijk gemaakt. In de eerste plaats niet omdat [eisers] op de zitting heeft verklaard dat alle schade nog waarneembaar is zodat die stelling van Fatum daarmee voldoende is weersproken. In de tweede plaats niet omdat er twee uitvoerige schaderapporten in het dossier zitten. [eisers] heeft haar rechten dus niet verwerkt.
2.12
De verweren van Fatum treffen dus geen doel. Zoals op de zitting afgesproken wordt de zaak verwezen naar de rolzitting voor conclusie na tussenvonnis van [eisers] waarop Fatum desgewenst mag reageren met een antwoordconclusie.
2.13
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 januari 2026 voor conclusie na tussenvonnis van [eisers] (P1),
bepaalt dat op de rolzitting vier weken later Fatum een antwoordconclusie na tussenvonnis mag indienen (P1),
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.