ECLI:NL:OGEAA:2025:351

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AUA202503416 KG
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 lid 8 BWArt. 17 lid 9 statutenArt. 17 lid 12 statutenArt. 18 lid 12 statutenArt. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op executie kortgedingvonnis en doorbetaling commissarisbezoldiging tot nieuw ontslagbesluit

De Commissarissen van verschillende Arubaanse utiliteitsbedrijven werden zonder voorafgaande waarschuwing ontslagen door de aandeelhouder, het Land Aruba, vertegenwoordigd door Utilities Aruba N.V. (UA). De ontslagbesluiten werden aanvankelijk geschorst door het Gerecht in Eerste Aanleg in een kort geding van 10 oktober 2025, waarbij de Utiliteitsbedrijven werden verplicht de commissarisvergoedingen door te betalen en de Commissarissen toegang te verlenen tot bedrijfslocaties.

Na het vonnis namen de Utiliteitsbedrijven nieuwe schorsings- en ontslagbesluiten, met een uitgebreidere motivering, waarop zij zich in een executieprocedure beroepen om uitvoering van het eerdere kortgedingvonnis te beperken. De Commissarissen vorderden handhaving van het vonnis en doorbetaling van hun vergoedingen.

Het Gerecht oordeelt dat de nieuwe schorsingsbesluiten een gewijzigde situatie vormen die een herbeoordeling rechtvaardigt. Hoewel het eerdere vonnis een onvoldoende motivering van het ontslag constateerde, acht het Gerecht de nieuwe motivering voldoende concreet en navolgbaar. De rechter benadrukt dat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) marginaal wordt getoetst en dat commissarissen geen bijzondere ontslagbescherming genieten.

Het Gerecht verbiedt de Commissarissen het kortgedingvonnis te executeren, behoudens de doorbetaling van de bezoldiging tot 30 oktober 2025, en legt een dwangsom op bij overtreding. De tegenvorderingen van de Commissarissen worden afgewezen. De Commissarissen worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De Commissarissen wordt verboden het kortgedingvonnis te executeren, behoudens doorbetaling van bezoldiging tot 30 oktober 2025, en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Vonnissen in kort geding van 19 november 2025
Behorend bij AUA202503416, AUA202503395, AUA202503404 en AUA202503407 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNISSEN IN KORT GEDING
in de zaak van:
1. de naamloze vennootschap WATER- EN ENERGIEBEDRIJF ARUBA (W.E.B.) N.V.,
hierna te noemen: WEB,
2. de naamloze vennootschap ELEKTRICITEIT-MAATSCHAPPIJ ARUBA N.V.,
hierna te noemen: Elmar,
3. de naamloze vennootschap ARUBA WASTEWATER SUSTAINABLE SOLUTIONS N.V.,
hierna te noemen: AWSS,
4. de naamloze vennootschap ARUBA RENEWABLE ENERGY N.V.,
hierna te noemen: ARE,
5. de naamloze vennootschap UTILITIES ARUBA N.V.,hierna te noemen: UA,
allen te Aruba,
eiseressen in conventie,
verweersters in voorwaardelijke reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: de Utiliteitsbedrijven,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.
tegen:
1. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 1]zaaknummer AUA202502258 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 1],
2. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 2]zaaknummer AUA202502259 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 2],
3. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 3]zaaknummer AUA202502260 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 3],
4. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 4]zaaknummer AUA202502261 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 4],
5. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 5]zaaknummer AUA202502262 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 5],
6. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 6], (zaaknummer AUA202502263 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 6],
7. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 7], (zaaknummer AUA202502264 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 7],
8. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 8], (zaaknummer AUA202502265 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 8],
9. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 9], (zaaknummer AUA202502266 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 9],
10. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 10], (zaaknummer AUA202502267 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 10],
11. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 11], (zaaknummer AUA202502268 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 11],
12. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 12], (zaaknummer AUA202502269 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 12],
13. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 13], (zaaknummer AUA202502270 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 13],
14. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 14], (zaaknummer AUA202502271 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 14],
15. [Gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 15]zaaknummer AUA202502272 KG),
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 15],
allen te Aruba,
gedaagden in conventie,
eisers in voorwaardelijke reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: de Commissarissen,
gemachtigde: de advocaat mr. H.W. Braam.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- de gewijzigde eis van de Utiliteitsbedrijven met producties,
- extra producties van de Utiliteitsbedrijven,
- de voorwaardelijke tegeneis van de Commissarissen met producties,
- een op de zitting door de Commissarissen overgelegde extra productie,
- de pleitnota namens de Utiliteitsbedrijven,
- de pleitnota namens de Commissarissen,
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling waaruit blijkt wie ter zitting zijn verschenen.
1.2
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter gezegd dat vonnis zal worden gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
De Commissarissen zijn benoemd als commissaris bij één of meer van de Utiliteitsbedrijven. De Utiliteitsbedrijven zijn 100%-dochtermaatschappijen van Utilities Aruba N.V. (hierna: UA) dat op haar beurt een 100%-dochtermaatschappij is van het Land Aruba. De verdeling van de commissarissen over de vennootschappen is als volgt:
- bij WEB: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 1], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 2], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 3] en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 4];
- bij ELMAR: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 1], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 5], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 6], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 7], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 8];
- bij AWSS: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 9], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 10], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 11], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 12], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 13] en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 14];
- bij ARE: [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 10], [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 14] en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 15].
2.2
Op 8 juli 2025 ontvingen de Commissarissen – zonder voorafgaande waarschuwing – een brief van UA met de volgende inhoud:
“Namens de Algemene Vergadering van [het onderhavige utiliteitsbedrijf, GEA] wordt u verzocht uw functie en rechtsbetrekkingen met genoemde vennootschap neer te leggen, gelet op het wegvallen van het vertrouwen in de Raad van Commissarissen.
U wordt vriendelijk doch dringend verzocht uiterlijk aanstaande donderdag om 17:00 uur kenbaar te maken of u aan dit verzoek zult voldoen. Uw reactie kunt u per e-mail of schriftelijk richten aan ondergetekende.
Vertrouwen wordt uitgesproken dat dit op zorgvuldige en professionele wijze wordt afgehandeld.”
2.3
Op 10 juli 2025 hebben de Commissarissen bij brief aan UA verzocht om een gemotiveerde toelichting op het wegvallen van het vertrouwen in de Raden van Commissarissen. Op 11 juli 2025 is daarop het ontslagbesluit genomen. Dit besluit bevat – voor zover hier van belang – de volgende motivering:
“I. de netgenoemde vertegenwoordiger fundamenteel andere opvattingen huldigt omtrent de gewenste inrichting, aansturing en maatschappelijke taakopvatting van de bedrijfsvoering van de Vennootschap.
(..)
K. de netgenoemde vertegenwoordiger een gewijzigde visie heeft op de gehele governance structuur en strategische aansturing van de Vennootschap, welke niet strookt met het functioneren van de huidige Raad van Commissarissen;
L. de Raad van Commissarissen, ingevolge artikel 2:19 lid 8 BW Pro, in het bijzonder opkomt voor de belangen van de Aandeelhouder en deze belangen relatief zwaarder laat wegen dan die van de Vennootschap en de daaraan verbonden onderneming;
M. de Aandeelhouder van mening is dat de huidige Raad van Commissarissen deze belangenafweging onvoldoende onderkent, dan wel niet bereid is deze in de vereiste zin te maken;
N. onder deze gewijzigde omstandigheden heeft de aandeelhouder aanleiding gezien om het functioneren en het handelen van de Raad van Commissarissen te heroverwegen;
O. de Aandeelhouder de commissarissen heeft verzocht hun functie en rechtsbetrekkingen met de Vennootschap neer te leggen, gelet op het wegvallen van het vertrouwen in de Raad van Commissarissen;
P. de commissarissen hebben hierop gereageerd;
Q. op basis van de ontstane inzichten en gewijzigde opvattingen bij de Aandeelhouder komt hij, ondanks de reactie van de commissarissen, tot het standpunt dat er geen sprake meer is van een toereikend vertrouwen in de Raad van Commissarissen;
R. de Aandeelhouder ziet in al het voorgaande aanleiding om overeenkomstig artikel 17, lid 12, van de Statuten het vertrouwen in de Raad van Commissarissen op te zeggen, hetgeen het onmiddellijke ontslag van de leden van de Raad van Commissarissen tot gevolg heeft.”
2.4
De Commissarissen hebben op respectievelijk 14, 15 en 16 juli 2025 jegens de Utiliteitsbedrijven de buitengerechtelijke vernietiging van de ontslagbesluiten ingeroepen.
2.5
Daarna zijn de Commissarissen naar de kortgedingrechter gestapt. In het vonnis van 10 oktober 2025 (hierna: het KGvonnis) heeft dit Gerecht het volgende beslist:
“5.1 verklaart de Commissarissen ieder voor zich niet-ontvankelijk in hun vordering jegens UA;
5.2
schorst de ontslagbesluiten van de Utiliteitsbedrijven d.d. 11 juli 2025 tot ontslag van de Commissarissen van de Utiliteitsbedrijven, zulks totdat in bodemprocedure bij eindvonnis is beslist over de rechtsgeldigheid van die besluiten;
5.3
gebiedt de Utiliteitsbedrijven om gerekend vanaf 11 juli 2025 totdat de aanstelling van iedere afzonderlijke Commissaris rechtsgeldig is beëindigd onverkort over te gaan tot doorbetaling aan iedere afzonderlijke Commissaris van:
-de gebruikelijke bezoldigingen;
-de gebruikelijke kostenvergoedingen;
-alle overige uit de commissariaatsverhoudingen voortvloeiende contractuele aanspraken,
en bepaalt dat ieder afzonderlijk Utiliteitsbedrijf met betrekking tot een aan haar verbonden Commissaris ten behoeve van die Commissaris een dwangsom verbeurt van Afl. 2.500,-- per dag of deel daarvan dat zij zich niet houdt aan dat gebod (of enig onderdeel daarvan), zulks tot een maximum van Afl. 250.000,--;
5.4
gebiedt de Utiliteitsbedrijven om de Commissarissen onmiddellijk en zonder belemmering:
-toegang te verschaffen tot alle aan hen individueel gerelateerde bedrijfslocaties van de Utiliteitsbedrijven;-te voorzien van alle relevante vergaderstukken, informatie van het bestuur en communicatievoorzieningen noodzakelijk voor de uitoefening van hun toezichthoudende taken;
-in staat te stellen hun werkzaamheden als commissaris op reguliere wijze te hervatten
en te verrichten,
en bepaalt dat ieder afzonderlijk Utiliteitsbedrijf met betrekking tot een aan haar verbonden Commissaris ten behoeve van die Commissaris een dwangsom verbeurt van Afl. 2.500,-- per dag of deel daarvan dat zij zich niet houdt aan dat gebod (of enig onderdeel daarvan), zulks tot een maximum van Afl. 250.000,--;
5.5
veroordeelt de Utiliteitsbedrijven hoofdelijk, zodat voor hetgeen de één heeft betaald, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van iedere afzonderlijke Commissaris tot aan deze uitspraak telkens begroot op Afl. 625,-, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de 15de dag na de uitspraak van dit vonnis tot aan de algehele voldoening;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
veroordeelt iedere Commissaris voor zich in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van UA, tot aan deze uitspraak begroot op telkens Afl. 100,--;
5.8
wijst af het meer of anders gevorderde.”
2.6
Van dit vonnis hebben de Utiliteitsbedrijven hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij een schorsingsverzoek op grond van artikel 272 Rv Pro ingediend. Op het moment van de mondelinge behandeling was daarop nog niet door het Hof beslist.
2.7
De dragende overwegingen in het KGvonnis luiden als volgt:
“4.4 Het Gerecht zal allereerst het beroep van de Commissarissen op het statutaire motiveringsvereiste beoordelen. Ten aanzien van dit punt voeren de Utiliteitsbedrijven aan dat de aandeelhouder te allen tijde bevoegd is om commissarissen te schorsen of te ontslaan, en dat het ontbreken van vertrouwen daarvoor voldoende grond vormt.
4.5
Het Gerecht volgt het uitgangspunt van de Utiliteitsbedrijven dat de aandeelhouder in beginsel te allen tijde bevoegd is tot schorsing of ontslag van commissarissen, en dat het ontbreken van vertrouwen in de Raad van Commissarissen daarvoor in algemene zin een voldoende grondslag kan vormen. Echter, de Utiliteitsbedrijven gaan eraan voorbij dat uit artikel 17 lid 12 van Pro de statuten van AWSS, WEB en ARE, respectievelijk artikel 18 lid 12 van Pro de statuten van ELMAR, een nadere voorwaarde volgt voor een dergelijk ontslagbesluit. In deze bepalingen is het volgende opgenomen:
“De Algemene Vergadering kan voorts bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende ten minste twee derde (2/3) van het geplaatste kapitaal, het vertrouwen in de Raad van Commissarissen opzeggen. Het besluit van de Algemene Vergadering is met redenen omkleed en heeft het onmiddellijke ontslag van de leden van de Raad van Commissarissen tot gevolg.”
4.6
Uit de statuten blijkt derhalve dat ontslagbesluiten, zoals in het onderhavige het geval is, met redenen moeten zijn omkleed. Dat vloeit naar het voorlopig oordeel van het Gerecht ook voort uit de omstandigheid dat zowel de rechtspersoon als degenen die krachtens de wet en/of de statuten bij de organisatie zijn betrokken zich tot elkaar gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt vereist. Uit de ontslagbesluiten blijkt dat het ontslag van de Commissarissen is gebaseerd op de enkele motivering dat de nieuw aangetreden vertegenwoordiger fundamenteel andere opvattingen huldigt over de gewenste inrichting van de bedrijfsvoering en een gewijzigde visie heeft op de structuur en strategische aansturing van de vennootschap. Volgens de aandeelhouder is deze visie onverenigbaar met het functioneren van de zittende Raad van Commissarissen, zodat de Raad de belangenafweging als bedoeld in artikel 2:19 lid 8 BW Pro onvoldoende zou onderkennen. Op deze grond stelt de aandeelhouder dat het vertrouwen in de Raad is weggevallen, en wel ten aanzien van de Commissarissen van alle vier de betrokken utiliteitsbedrijven.
4.7
De vraag die nu voorligt, is of de in de ontslagbesluiten genoemde gronden zodanig zijn gemotiveerd dat zij voldoen aan het in de statuten neergelegde en uit de hiervoor omschreven open norm voortvloeiende vereiste dat het ontslag met redenen moet zijn omkleed.
4.8.1
Het Gerecht is voorshands van oordeel dat het enkele feit dat er een nieuw aangetreden vertegenwoordiger UA is, onvoldoende is om het ontslagbesluit te onderbouwen. Het ontslagbesluit dient immers, conform de hiervoor omschreven vereisten, met redenen te zijn omkleed. Een verschil van inzicht of een gewijzigde visie op de bedrijfsvoering van een nieuw aangetreden vertegenwoordiger biedt op zichzelf nog geen deugdelijke en concrete motivering die rechtvaardigt dat het vertrouwen in de Commissarissen is weggevallen. Voor een correcte motivering is meer vereist dan slechts een wijziging in de vertegenwoordiging. Het ontslagbesluit moet concrete redenen bevatten die aantonen wat precies het verschil van inzicht of een gewijzigde visie op de bedrijfsvoering van de nieuwe vertegenwoordiger ten opzichte van de vorige vertegenwoordiger behelst en waarom dat verschil met zich brengt dat het vertrouwen in de Commissarissen is verloren. Daarvan zou sprake kunnen zijn als bedoelde raden van Commissarissen op onterechte gronden te kennen hebben gegeven aan (de met de regeringswisseling nieuw aangetreden vertegenwoordiger van) de aandeelhouder dat zij zich niet kunnen vinden in het aan hen kenbare/uitgelegde verschil van inzicht of de gewijzigde visie op de bedrijfsvoering met betrekking tot de Utiliteitsbedrijven en dat zij daaraan geen of onvoldoende medewerking zullen verlenen. Gesteld noch is gebleken in dat verband dat de nieuw aangetreden vertegenwoordiger van de aandeelhouder zich naar aanleiding van gesprekken met de Commissarissen op objectieve gronden heeft overtuigd dat met hen geen werkzame of werkbare relatie mogelijk is (hetgeen overigens iets anders is dan dat zij precies doen wat die vertegenwoordiger wil).
4.8.2
Vorenstaande brengt met zich dat de stelling van de Commissarissen, dat de ontslagbesluiten louter omwille van partijpolitieke redenen tot stand zijn gekomen, voorshands aannemelijk wordt geoordeeld. De enkele wijziging van de politieke samenstelling van de regering van Aruba (lees hier tevens: de vertegenwoordiger van de aandeelhouder in UA) levert geen (automatische) grond op om zittende bestuursleden danwel leden van een Raad van Toezicht van aan het Land Aruba gelieerde rechtspersonen die onder een andere politieke signatuur zijn aangesteld te ontslaan. Zij die daar anders over denken miskennen daarmee de zelfstandigheid dat een bestuur danwel een Raad van Toezicht van een rechtspersoon heeft, ook ten opzichte van het Landsbestuur.”
2.8
Op 12 oktober 2025 heeft UA ten aanzien van elke commissaris een nieuw schorsingsbesluit genomen en zijn de Commissarissen, ieder voor zich, opgeroepen voor een nieuwe bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders per commissaris voor 30 oktober 2025. Op die nieuwe vergaderingen zijn de Commissarissen, met uitzondering van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie 6], niet verschenen. Bij brieven van 3 november 2025 hebben de Utiliteitsbedrijven ieder voor zich aan de eigen Commissarissen het volgende bericht:
“Tijdens de meergenoemde vergadering is aan u, voor zover rechtens vereist, ontslag verleend. Dit besluit is met onmiddellijke ingang van kracht. De notulen van deze vergadering zullen u zo spoedig mogelijk worden toegezonden zodra deze gereed zijn.”Ten tijde van de mondelinge behandeling waren de notulen nog niet beschikbaar.
2.9
De besluiten tot schorsing kennen alle de volgende, hierna kort weer te geven, motivering. In de schorsingsbesluiten worden de Commissarissen uitgenodigd om op de bijzondere AVA te verschijnen om toe te lichten waarom zij geschikt zouden zijn als commissaris. Verwezen wordt naar een onderzoek dat door de Utiliteitsbedrijven is verricht en waaruit het volgende blijkt:
  • de nieuwe statuten met het motiveringsvereiste zijn vlak voor het aantreden van de nieuwe regering (28 maart 2025) vastgesteld,
  • een aantal commissarissen is op 14 maart 2025 benoemd,
  • op grond van de statuten was voor het aantreden van de commissaris de goedkeuring van de Minister van Arbeid, Integratie en Energie nodig maar die was niet aangevraagd en dus ook niet verkregen,
  • ten onrechte zijn de dwingendrechtelijke oproepingsvereisten voor de bijzondere AVA van 14 maart 2025 niet in acht genomen,
  • er zijn onnodig veel commissarissen benoemd,
  • er waren geen profielschetsen en evenmin wordt duidelijk hoe getoetst is dat de Commissarissen geschikt waren voor die functie,
  • door de benoeming ondanks voormelde punten te aanvaarden hebben de Commissarissen blijk gegeven zich niet te laten leiden door het vennootschappelijk belang,
  • de bepalingen van de Overeenkomst van Opdracht (“OVO”) die de inmiddels ontslagen statutaire bestuurder aan de Commissarissen heeft aangeboden zijn in strijd met de statuten, de Corporate Governance Code en de Landsverordening Normering Topinkomens en zijn financieel nadelig voor de vennootschap(pen) waarin de commissaris is benoemd.
2.1
Bij brieven van 3 november 2025 is door de utiliteitsbedrijven aan de Commissarissen medegedeeld dat zij tijdens de bijzondere algemene aandeelhoudersvergadering van 30 oktober 2025 zijn ontslagen.
2.11
Direct na de uitspraak van het KGvonnis hebben de Utiliteitsbedrijven aan de Commissarissen bericht dat zij de achterstallige vergoeding aan de Commissarissen zullen voldoen. De Commissarissen hebben te kennen gegeven dat zij hun toezichthoudende taken met onmiddellijke ingang weer willen oppakken, zoals is bepaald in het kortgedingvonnis, en als de Utiliteitsbedrijven dat niet toestaan dan maken zij aanspraak op dwangsommen. Vervolgens hebben partijen afgesproken de uitspraak in dit kort geding af te wachten voordat het KGvonnis eventueel ten uitvoer wordt gelegd.

3.DE (VOORWAARDELIJKE) VORDERINGEN OVER EN WEER

3.1
De Utiliteitsbedrijven, na wijziging van eis, stellen de volgende vorderingen in:
Primair:
de Commissarissen te verbieden om het KGvonnis te executeren voor zover het niet nakomen van de in die uitspraak vermelde geboden – niet zijnde de betaling van de commissarisvergoedingen - uitsluitend diens grondslag vindt in het geschorste aandeelhoudersbesluit van 11 juli 2025, althans de Commissarissen te verbieden om het KGvonnis na 12 oktober 2025 te executeren voor andere dan de daarin gemelde geboden niet zijnde de betaling van de commissarisvergoedingen;
dan wel de Commisssarissen te verbieden het KG-vonnis na 30 oktober 2025 te executeren;
alles op straffe van een dwangsom van Afl. 2.500,- per dag per commissaris die mocht nalaten aan dit bevel te voldoen;
Subsidiair:
de opgelegde dwangsommen wegens het niet nakomen van de in het KGvonnis vermelde geboden -niet zijnde de betaling van de commissarisvergoedingen- uitsluitend diens grondslag vindt in het geschorste aandeelhoudersbesluit van 11 juli 2025, op te heffen;
althans de opgelegde dwangsommen voortvloeiende uit het KGvonnis na 12 oktober 2025 op te heffen;
dan wel de opgelegde dwangsommen voortvloeiende uit het KGvonnis na 30 oktober 2025 op te heffen;
Meer subsidiair:
de opgelegde dwangsommen wegens het niet nakomen van de in het KGvonnis vermelde geboden – niet zijnde de betaling van de commissarisvergoedingen – niet zijnde de betaling van de commissarisvergoedingen – uitsluitend diens grondslag vindt in de het geschorste aandeelhoudersbesluit van 11 juli 2025, te matigen tot nihil, dan wel tot nihil, dan wel tot zodanig als het Gerecht redelijk en billijk acht;
althans de opgelegde dwangsommen voortvloeiende uit het KGvonnis na 12 oktober 2025 te matigen tot nihil, dan wel tot zodanig als het Gerecht redelijk en billijk acht;
dan wel de opgelegde dwangsommen voortvloeiende uit het KGvonnis na 30 oktober 2025 te matigen tot nihil, dan wel tot zodanig als het Gerecht redelijk en billijk acht;
alles bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en met veroordeling van de Commissarissen in de proceskosten.
3.2
De voorwaardelijke tegenvordering van de Commissarissen komt op het volgende neer:
de op 12 oktober 2025 dan wel de op 3 november 2025 door de Utiliteitsbedrijven genomen schorsingsbesluiten c.q. ontslagbesluiten te schorsen, zulks totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van deze besluiten zal zijn beslist,
de Utiliteitsbedrijven te gebieden om onmiddellijk en zonder belemmering:
- de Commissarissen toegang te verschaffen tot alle hen individueel gerelateerde bedrijfslocaties,
- de Commissarissen te voorzien van alle relevante vergaderstukken, informatie van het bestuur en communicatievoorzieningen, noodzakelijk voor de uitoefening van hun toezichthoudende taak,
- de Commissarissen in staat te stellen hun werkzaamheden als commissaris op reguliere wijze te hervatten en te verrichten
de Utiliteitsbedrijven te veroordelen de gebruikelijke commissarisvergoeding te blijven doorbetalen,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, alles bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en met veroordeling van de Utiliteitsbedrijven in de proceskosten.
3.3
Het gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4.DE BEOORDELING

Het verzoekschrift
4.1
In het verzoekschrift worden uitgelegd dat sprake is van nieuwe schorsings- en ontslagbesluiten. Dat is een gewijzigde omstandigheid waardoor geen sprake is van strijd met het KGvonnis omdat dit enkel ziet op de eerdere besluiten. De Utiliteitsbedrijven hebben ook geen andere keuze deze besluiten uit te voeren omdat dit door UA als hun 100% aandeelhouder is besloten. Subsidiair beroepen de Utiliteitsbedrijven zich op artikel 611d waarin staat dat de rechter op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd opschorten, verminderen of matigen.
Het ontvankelijkheidsverweer
4.2
Door de Commissarissen wordt aangevoerd dat de Utiliteitsbedrijven in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij ook al een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het KG-vonnis hebben gericht tot het Hof wat tot hetzelfde resultaat zou moeten leiden als wat zij in dit kort geding vorderen. Deze twee procedures kunnen niet naast elkaar bestaan. De Utiliteitsbedrijven moeten een keuze maken.
4.3
Het Gerecht is van oordeel dat de Utiliteitsbedrijven wel in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. In de eerste plaats omdat het Hof op het verzoek nog geen uitspraak heeft gedaan en de Commissarissen van plan zijn het KG-vonnis, wat de dwangsommen betreft, te gaan executeren zodat daarmee de bevoegdheid van de kortgedingrechter is gegeven. In de tweede plaats omdat, zoals op de zitting is gebleken, in het schorsingsverzoek aan het hof geen melding is gemaakt van de nieuwe schorsings- en ontslagbesluiten. En in de derde plaats omdat het Hof in een schorsingsincident niet de bevoegdheid van de dwangsomrechter (artikel 611d Rv) heeft. Daarmee kan het Hof dus geen rekening houden maar het Gerecht in dit kort geding wel. Het ontvankelijkheidsverweer gaat dus niet op.
De inhoudelijke kant van de zaak
4.4
De primaire vordering van de Utiliteitsbedrijven is gebaseerd op artikel 438 Rv Pro dat ziet op geschillen die in verband met de executie van een vonnis rijzen. Het Gerecht mag op grond van dat wetsartikel, onverminderd zijn overige bevoegdheden, de executie schorsen of voorwaarden daaraan stellen. De Utiliteitsbedrijven voeren aan dat sprake is van nieuwe besluiten waardoor een nieuwe situatie is ontstaan. Het gebrek dat in het KG-vonnis werd geconstateerd (geen deugdelijke motivering van de ontslagbesluiten) is met de nieuwe besluiten geheeld. Het vennootschappelijk belang van de Utiliteitsbedrijven brengt met zich dat zij met deze politiek benoemde Commissarissen niet verder hoeven en kunnen samenwerken. Een en ander wordt door de Commissarissen inhoudelijk betwist.
4.5
De regel waarvan het Gerecht moet uitgaan is de volgende. Omdat het KG-vonnis nog niet definitief is moeten de Utiliteitsbedrijven aan hun vorderingen feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het wijzen van het KG-vonnis niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van het eerdere KG-vonnis wordt afgeweken. [1] Overwogen wordt dat door de schorsings- en ontslagbesluiten, genomen na het eerdere KG-vonnis, een nieuwe situatie is ontstaan. Dat betekent dat het Gerecht in dit executie kort geding moet beoordelen of door deze nieuwe besluiten reden bestaat om de executie te schorsen of andere maatregelen te nemen.
4.6
Anders dan de Commissarissen aanvoeren is niet van belang dat de redenen die in het nieuwe schorsingsbesluit worden genoemd alle reeds bekend waren ten tijde van het oorspronkelijke schorsings- en ontslagbesluit. Het nieuwe schorsingsbesluit zélf is de nieuwe omstandigheid. Er is immers geen regel in statuten of de wet die aan de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: de AVA) van de Utiliteitsbedrijven de bevoegdheid ontzegt om dergelijke nieuwe besluiten te nemen.
4.7
Het Gerecht overweegt dat ten tijde van de mondelinge behandeling de ontslagbesluiten zelf nog niet voorhanden waren. Dat betekent dat het Gerecht zich alleen een, naar de aard van deze procedure, voorlopig oordeel moet vormen over de schorsingsbesluiten. Daarvan immers is de motivering bekend (zie r.o. 2.9).
4.8
Voorop staat dat de AVA, net als de overige organen van de vennootschap, gehouden is in het vennootschappelijk belang te handelen. De AVA is van mening dat zij handelt in het vennootschappelijk belang van (ieder van) de Utiliteitsbedrijven door het schorsen en vervolgens ontslaan van de Commissarissen. Daarbij geldt dat een en ander volgens de wettelijke en statutaire regels moet gebeuren. Volgens de Utiliteitsbedrijven heeft zij met de nieuwe besluiten het in het eerdere KG-vonnis gesignaleerde motiveringsgebrek in de eerdere besluiten geheeld.
4.9
De statuten kennen een regeling over de individuele commissaris. Artikel 17 lid 9 bepaalt Pro namelijk dat de AVA te allen tijde bevoegd is iedere commissaris te schorsen of te ontslaan. En lid 12:
“De Algemene Vergadering kan voorts bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende ten minste twee derde (2/3) van het geplaatste kapitaal, het vertrouwen in de Raad van Commissarissen opzeggen. Het besluit van de Algemene Vergadering is met redenen omkleed en heeft het onmiddellijke ontslag van de leden van de Raad van Commissarissen tot gevolg.”De nieuwe ontslagbesluiten zijn, net zoals de oude, gebaseerd op artikel 17 lid 12 van Pro de statuten, ondanks dat er nu besluiten per commissaris zijn genomen.
4.1
De verschillen tussen beide ontslagmogelijkheden springen in het oog. De individuele commissaris kan worden ontslagen met een gewone meerderheid zonder dat enige motivering is vereist. De gehele Raad van Commissarissen (hierna: RvC) kan ook worden ontslagen, maar dan met een gekwalificeerde meerderheid van 2/3 en het besluit moet met redenen zijn omkleed. Boek II BW kent wel de mogelijkheid van individueel ontslag maar niet van ontslag van de gehele RvC. Duidelijk is dat de wet vooropstelt dat de AVA bevoegd is (de) commissaris(sen) te schorsen en te ontslaan als naar haar mening het vennootschappelijk belang dit met zich brengt en zonder dat daarvoor enige motivering is voorgeschreven, behoudens uiteraard de grenzen die de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid trekken. Daarbij komt dat de rechter niet op de stoel van de ondernemer mag gaan zitten; het is uiteindelijk de AVA die als belangrijkste orgaan in principe bepaalt wat goed is voor de vennootschap en wat niet. De rechter beoordeelt dit marginaal. Dat alles betekent dat er niet al te zware eisen mogen worden gesteld aan de motivering van een schorsings- of ontslagbesluit. Aan de commissaris, die door de AVA is aangesteld en namens haar toezicht houdt, komt bovendien geen bijzondere “ontslag”-bescherming toe. Hij is immers geen werknemer, statutair bestuurder of ambtenaar maar toezichthouder die op grond van een overeenkomst van opdracht zijn toezichthoudende werkzaamheden verricht.
4.11
Met dit wettelijk kader in het achterhoofd geldt naar voorlopig oordeel het volgende. In het eerste KG-vonnis is de motivering te mager bevonden maar, naar voorlopig oordeel, heeft in dit kort geding te gelden dat de redenen naar behoren zijn opgeschreven en navolgbaar zijn. Er is namelijk voldoende concreet gemaakt dat de aandeelhouder geen vertrouwen meer in de Commissarissen heeft en wat daarvan de oorzaak is. Of de opgegeven redenen kloppen is in dit kort geding minder van belang. In de eerste plaats omdat een kort geding niet geschikt is om dat goed uit te zoeken. Maar belangrijker nog: het gaat erom of het schorsingsbesluit bij marginale toetsing begrijpelijk is en dat is het. Als de Commissarissen het er niet mee eens zijn dan kunnen zij vernietiging van de schorsings- en ontslagbesluiten vragen in een bodemprocedure. Zelfs als zij daarin gelijk zouden krijgen is moeilijk voorstelbaar dat zij in de positie van toezichthouders hersteld kunnen worden. Waarom immers zou het Land, als 100% middellijk aandeelhouder, gedwongen moeten worden samen te werken met toezichthouders op haar utiliteitsbedrijven die zij om een veelheid van redenen daarvoor niet geschikt acht?
4.12
Tot slot wordt nog het volgende overwogen. Het Gerecht mist in de processtukken van de Commissarissen en de namens hen op de zitting gedane uitlatingen enig argument dat het vennootschappelijk belang met zich brengt dat zij als toezichthouders aanblijven. Er wordt niet uitgelegd hoe zij vorm hebben gegeven aan het toezicht, welke thema’s er spelen, wat de toekomst met zich brengt en hoe zij concreet de inmiddels ontslagen statutaire bestuurder hebben gecontroleerd. Niet wordt medegedeeld hoe vaak zij hebben vergaderd en wat het resultaat van vergaderingen was. Jaarverslagen of andere bewijzen waaruit hun inbreng blijkt zijn niet aan het Gerecht getoond. Zij leggen verder niet uit dat het Land als middellijk aandeelhouder voornemens is handelingen te gaan verrichten die tegen het vennootschappelijk belang indruisen en dat zij daar zo bezorgd over zijn dat ze om die reden wel moeten aanblijven. Vanuit hun betrokkenheid als toezichthouder had dat wel verwacht kunnen worden. Dat maakt dat zelfs genoemde marginale toetsing door het Gerecht niet goed mogelijk is.
4.13
Een en ander brengt met zich dat het Gerecht aan de Commissarissen zal verbieden het KG-vonnis te executeren, zoals in de beslissing is vermeld. Daarom hoeft het Gerecht niet in te gaan op de overige argumenten van de Utiliteitsbedrijven waaronder het beroep op artikel 611d Rv.
4.14
Wat hiervoor is overwogen brengt ook met zich dat de tegenvorderingen van de Commissarissen niet worden toegewezen. Het Gerecht is immers voorlopig van oordeel dat het nieuwe schorsingsbesluit rechtsgeldig is en dat betekent dat de Commissarissen niet meer aan de slag mogen.
4.15.
Als in het ongelijk gestelde partijen in zowel conventie als reconventie, worden de Commissarissen in de proceskosten veroordeeld.

5.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
rechtdoende in kort geding:
in conventie:
verbiedt de Commissarissen het KG-vonnis te executeren, behoudens de doorbetaling van de bezoldiging tot 30 oktober 2025 (datum nieuwe ontslagbesluit),
bepaalt dat de Commissarissen, ieder individueel, een dwangsom van Afl. 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag verbeuren als zij dit verbod overtreden,
maximeert de dwangsommen per Commissaris op Afl. 250.000,
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie:
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie:
veroordeelt de Commissarissen in de proceskosten, aan de zijde van het Land begroot op Afl. 1.800,00 totaal aan griffierechten, nihil aan verschotten en op Afl. 1.500,00 aan salaris gemachtigde,
verklaart de veroordelingen en de dwangsombeslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.
:

Voetnoten

1.HR 22 april 1983 ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra)