Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2026:117

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
AUA202600767
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:168 BWArt. 3:170 BWArt. 3:303 BWArt. 3:305a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op schoonschrapen perceel binnen onverdeelde nalatenschap zonder toestemming deelgenoten

In deze kortgedingprocedure vorderden eiseressen en een stichting dat gedaagde werd verboden verdere werkzaamheden te verrichten op een perceel dat deel uitmaakt van een onverdeelde nalatenschap met meer dan 30 erfgenamen.

Een incidentele vordering tot voeging door twee vermeende erfgenamen werd afgewezen omdat zij niet konden aantonen erfgenaam te zijn. De stichting werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang, aangezien zij geen erfgenaam is en geen volmacht van erfgenamen had.

De rechter oordeelde dat het schoonschrapen van het perceel zonder toestemming van alle deelgenoten niet is toegestaan, omdat het perceel al circa 100 jaar onaangeroerd was en de werkzaamheden niet als noodzakelijk onderhoud konden worden aangemerkt. De belangenafweging viel in het voordeel van de eiseressen uit, mede omdat het kaalslaan prematuur was en het verkoopproces beter via een notaris kan verlopen.

Gedaagde werd veroordeeld het schoonschrapen te staken, met een dwangsom van 25.000 gulden per dag bij overtreding, en werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door rechter A.J.J. van Rijen op 2 april 2026.

Uitkomst: Gedaagde is verboden het perceel verder schoon te schrapen zonder toestemming van alle deelgenoten, met oplegging van dwangsommen en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 2 april 2026
Behorend bij AUA202600767 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiseres 1],
[Eiseres 2],
Stichting BUCUTI TARA NATURE PRESERVATION FOUNDATION,
te Aruba,
eiseressen,
hierna ook te noemen: [eiseressen] (enkelvoud) en de Stichting,
gemachtigden: mr. G.M. Sjiem Fat en mr. M.J.L. Yarzagaray,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.G.A. Baiz,
met als eiseressen in het voegingsincident:
[Eiseres 3],
[Eiseres 4],
te Aruba,
eiseressen in het voegingsincident,
hierna: [eiseres 3] en [eiseres 4],
gemachtigden: mr. G.M. Sjiem Fat en mr. M.J.L. Yarzagaray.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 12 maart 2026,
- de ordemaatregel van dit Gerecht van 13 maart 2026,
- de incidentele conclusie tot voeging met producties,
- de producties van [gedaagde],
- de pleitnota namens [eiseressen] en de Stichting,
- de pleitnota namens [gedaagde].
1.2
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.DE BEOORDELING

Waar gaat het om?
2.1 [
Eiseressen] en de Stichting vorderen dat het [gedaagde] wordt verboden om een perceel eigendomsgrond in [locatie] (kadastraal bekend [perceel nummer], hierna: het Perceel), kort gezegd, nog verder schoon te schrapen, met dwangsommen en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2
Het Perceel maakt deel uit van een zeer lang onverdeeld gebleven nalatenschap die meer dan 30 erfgenamen kent, waaronder [eiseressen] en [gedaagde]. De Stichting is eigenaar van de omliggende percelen die zij als natuurgebied beheert. Zij wil graag ook het Perceel in eigendom verwerven.
Het incident tot voeging
2.3 [
Eiseres 3] en [eiseres 4] stellen ook erfgenamen te zijn en willen zich voegen in de procedure tussen [eiseressen] en de Stichting tegen [gedaagde] om als mede-eisende partijen op te treden. Ter zitting heeft [gedaagde] betwist dat zij erfgenamen zijn en die betwisting hebben [eiseres 3] en [eiseres 4] niet weten te weerleggen. Naar voorlopig oordeel geldt dat zij dus niet als erfgenamen kunnen worden aangemerkt. Daarom mogen zij zich niet voegen. [Eiseres 3] en [eiseres 4] worden veroordeeld in de kosten van het incident.
De Stichting wordt niet-ontvankelijk verklaard
2.4 [
Gedaagde] voert verder aan dat de Stichting in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij geen voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW Pro. Naar voorlopig oordeel treft dit verweer doel. Gesteld noch gebleken is dat de Stichting erfgenaam is. Evenmin is zij gevolmachtigd door erfgenamen. Dat zij graag het Perceel wil kopen is niet een voldoende procesbelang. Zij heeft aan haar optreden in deze zaak niet artikel 3:305a BW (collectieve actie) ten grondslag gelegd. Evenmin is gebleken van enige andere zelfstandige rechtsgrond waarop zij haar vordering baseert. Naar voorlopig oordeel geldt dat zij inderdaad in haar vorderingen niet ontvankelijk moet worden verklaard. Zij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
Spoedeisend belang
2.5
Het Perceel valt in de gemeenschap van erfgenamen in de zin van artikel 3:166 BW Pro. Er geldt geen regeling tussen de deelgenoten over het gebruik en het beheer. Evenmin is de rechter om een regeling in de zin van artikel 3:168 BW Pro gevraagd. Duidelijk is verder dat het Perceel al circa 100 jaar onaangeroerd is geweest. [Gedaagde] pleegt dus eigenrichting door het Perceel kaal te slaan en [eiseressen] wil daar een einde aan maken. Daarom is spoedeisend belang gegeven.
[Gedaagde] krijgt ongelijk
2.6
Dan de inhoudelijke kant. De kortgedingrechter moet zich laten leiden door wat de bodemrechter zeer waarschijnlijk zou beslissen. In de eerste plaats geldt dat er geen toestemming van alle deelgenoten is en evenmin om een rechterlijke beheersregeling is gevraagd. [Gedaagde] beroept zich op gewoon onderhoud of behoud op grond van artikel 3:170 BW Pro. Dat gaat niet op omdat het Perceel feitelijk deel uitmaakt van een ongerept gebied. Er is dus geen sprake van onderhoud of behoud. Dat de werkzaamheden in het belang van alle deelgenoten (onderhoud en uitmeten) zijn klopt niet. [Eiseressen] verzet zich er immers tegen en op de zitting is een groot aantal personen verschenen die zeiden erfgenaam te zijn en van het belang allerminst overtuigd bleken.
2.7
Artikel 3:170 BW Pro geeft ook nog als criterium dat het moet gaan om werkzaamheden die geen uitstel kunnen lijden. [Gedaagde] voert aan dat het gaat om werkzaamheden ten behoeve van de verkoop van het Perceel aan de hoogstbiedende partij. Een ervaringsfeit is echter dat verkoop van een perceel door een langdurig onverdeelde boedel waarvan heel veel erfgenamen bij naam bekend zijn, en andere erfgenamen weer niet, heel erg lang gaat duren. Eerst moeten immers alle erfgenamen worden geïdentificeerd wat moet leiden tot een verklaring van erfrecht opgesteld door de notaris. En als alle erfgenamen akkoord zijn, dan pas kan er worden verkocht. Het proces van identificatie van alle erfgenamen bleek nog niet eens begonnen. Het kaalslaan van het Perceel is prematuur en het is dus niet een werkzaamheid die geen uitstel kan lijden. Daarom is het zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter de vorderingen van [eiseressen] zou toewijzen.
Belangenafweging in het voordeel van [eiseressen]
2.8
Ook is duidelijk dat een belangenafweging, die de rechter in kort geding moet maken, in het nadeel van [gedaagde] uitvalt. Er is geen redelijk doel om het Perceel nu kaal te slaan. Veel beter kunnen partijen zich richten op de inschakeling van notaris of jurist die actie neemt om te komen tot de verklaring van erfrecht. Het verkoopproces, dat [gedaagde] naar eigen zeggen wilde bevorderen, is daar veel meer mee gediend dan met het kaalslaan van het Perceel. Dat alles nog daargelaten dat hij stelt alleen dat gedeelte te hebben gerooid wat nodig is voor de erfgrensvaststelling. Naar voorlopig oordeel blijkt uit de luchtfoto’s dat dit niet waar is. Er is veel meer gerooid dan daarvoor nodig is wat er ook toe leidt dat de belangenafweging uitvalt ten gunste van [eiseressen].
[Gedaagde] moet proceskosten betalen
2.9 [
Gedaagde] krijgt ongelijk. Hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
In het voegingsincident:
3.1
wijst het verzoek af,
3.2
veroordeelt [eiseres 3] en [eiseres 4] in de kosten van het incident, aan de kant van [gedaagde] begroot op Afl. 500,00 aan salaris gemachtigde en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
In de hoofdzaak
3.3
verklaart de Stichting in haar vorderingen niet-ontvankelijk,
3.4
veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] begroot op Afl. 500,00 aan salaris gemachtigde,
3.5
veroordeelt [gedaagde] om op het Perceel alle sloop- en bouwwerkzaamheden, in de meest ruime zin van het woord, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, met machtiging aan [eiseressen] tot handhaving van dit bevel met behulp van de sterke arm,
3.6
bepaalt dat [gedaagde] ten behoeve van [eiseressen] een dwangsom verbeurt van
Afl. 25.000,00 per dag of deel daarvan dat hij dit bevel overtreedt tot een maximum van Afl. 500.000,00,
3.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiseressen] begroot op Afl. 450,00 aan griffierecht, Afl. 242,00 aan explootkosten en Afl. 1.000,00 aan salaris gemachtigde,
3.8
verklaart de veroordelingen en de dwangsombeslissing uitvoerbaar bij voorraad,
3.9
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 2 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.