Partijen zijn buren en raakten op straat in een woordenwisseling die uitmondde in een handgemeen waarbij eiser zijn pols brak. Eiser stelde gedaagde aansprakelijk en vorderde een schadevergoeding van Afl. 17.425,- wegens bedrijfsschade, extra werknemers en advocaatkosten.
Gedaagde betwistte de schade en stelde dat er sprake was van eigen schuld van eiser. Het Gerecht oordeelde dat eiser zijn schade niet voldoende had onderbouwd; er ontbraken stukken die het verlies, de extra kosten en de advocaatkosten aantonen. Ook gaf eiser geen uitleg over de privéhulp en verscheen niet bij de comparitie om nadere toelichting te geven.
Daarom wees het Gerecht de vordering af wegens onvoldoende bewijs en veroordeelde eiser in de proceskosten van Afl. 2.000,-. Het vonnis werd uitgesproken op 6 mei 2026 door rechter A.J.J. van Rijen.