ECLI:NL:OGEAA:2026:183

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
AUA202601121 EJ
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur hoger beroep tegen huurovereenkomst

Appellant huurt sinds januari 2024 een woning van CLW Management Services N.V. tegen een maandelijkse huurprijs. CLW heeft in februari 2026 bij de Huurcommissie een verzoek ingediend tot toestemming voor opzegging van de huurovereenkomst vanwege huurachterstand.

De Huurcommissie heeft bij tussenbeschikking van 10 april 2026 appellant in de gelegenheid gesteld de huurachterstand binnen twee maanden te voldoen, waarna CLW moest melden of aan deze voorwaarden was voldaan. De Huurcommissie heeft nog geen definitieve beslissing genomen over het verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst.

Appellant stelde dat er geen huurachterstand was en vorderde vergoeding voor onderhoudskosten. CLW verzocht appellant niet-ontvankelijk te verklaren. Het Gerecht oordeelde dat het beroep prematuur was omdat de Huurcommissie nog geen eindbeslissing had genomen, waardoor appellant niet-ontvankelijk werd verklaard.

Het Gerecht legde geen proceskostenveroordeling op, mede omdat de Huurcommissie onjuist had vermeld dat hoger beroep mogelijk was, waardoor appellant niet kan worden verweten dat hij beroep instelde.

De beschikking werd uitgesproken op 8 juli 2026 door rechter A.J.J. van Rijen.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens prematuur beroep omdat de Huurcommissie nog geen definitieve beslissing heeft genomen.

Uitspraak

Beschikking van 8 juli 2026
Behorend bij AUA202601121 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Appellant],
te Aruba,
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
procederend in persoon,
tegen:
de naamloze vennootschap
CLW MANAGEMENT SERVICES N.V.,
te Aruba,
geïntimeerde,
hierna te noemen: CLW,
gemachtigde: de advocaat mr. E.E. Rosenstand.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
 het beroepschrift, ingediend op 10 april 2026;
 de behandeling van de zaak ter zitting van 23 juni 2026.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen [appellant] in persoon. CLW is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Tevens was aanwezig de tolk [betrokkene] die al hetgeen is gezegd heeft vertaald.
1.3
Beschikking is bepaald op vandaag.

2.DE FEITEN

2.1
CLW is eigenaar van de woning gelegen aan [adres] te Aruba (hierna: het gehuurde).
2.2 [
Appellant] huurt het gehuurde sinds 8 januari 2024 tegen een maandelijkse huurprijs van Afl. 1.150,- aan CLW.
2.3
CLW heeft op 19 februari 2026 bij de Huurcommissie van Aruba (hierna: de Huurcommissie) een verzoek ingediend tot het verlenen van toestemming voor de opzegging van de huurovereenkomst.
2.4
Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de Huurcommissie in zaaknummer HOP/2026/053 [appellant] in de gelegenheid gesteld om de opgebouwde huurachterstand binnen twee maanden volledig te voldoen. Daarbij is bepaald dat de huurachterstand uiterlijk op 26 mei 2026 volledig moet zijn ingelopen. Daarnaast dient [appellant] met ingang van 10 april 2026 de maandelijkse huurprijs van Afl. 1.200,-- steeds tijdig en volledig te voldoen. Op grond van het voorgaande dient CLW de Huurcommissie uiterlijk op 1 juni 2026 te berichten of [appellant] aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan. Indien blijkt dat [appellant] daaraan niet heeft voldaan, zal de Huurcommissie een datum bepalen voor de mondelinge behandeling van de zaak. Daarna zal de Huurcommissie beslissen op het verzoek van CLW tot beëindiging van de huurovereenkomst.

3.HET BEROEP

3.1 [
appellant] stelt zich op het standpunt dat CLW de huurovereenkomst ten onrechte wenst te beëindigen omdat volgens hem geen sprake is van een huurachterstand. Daarnaast verzoekt [appellant] CLW te veroordelen tot betaling van een bedrag van Afl. 726,95. Hij voert daartoe aan dat hij dit bedrag heeft besteed aan het onderhoud en de verbetering van het appartement en dat deze kosten voor rekening van CLW behoren te komen.
3.2
CLW heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd om [appellant] niet ontvankelijk te verklaren dan wel het beroep af te wijzen, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van dit geding.
3.3
Voorzover van belang voor de beoordeling worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4.DE BEOORDELING

4.1
CLW heeft de Huurcommissie verzocht de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te beëindigen. Op dit verzoek heeft de Huurcommissie nog geen eindbeslissing genomen. Bij “tussenbeschikking” van 10 april 2026 heeft de Huurcommissie de behandeling van het verzoek aangehouden en CLW opgedragen uiterlijk op 1 juni 2026 te berichten of [appellant] de bestaande huurachterstand had voldaan. Daaruit volgt dat de procedure bij de Huurcommissie nog aanhangig is en dat de Huurcommissie nog niet definitief heeft beslist over het verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst.
4.2
Nu de Huurcommissie nog geen eindbeschikking heeft gegeven over het verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst, is geen sprake van een voor beroep vatbare beslissing. Het door [appellant] ingestelde beroep is daarom prematuur, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4.3
Het Gerecht ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling nu geen sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling. Daarbij komt ook nog eens dat de Huurcommissie foutief onderaan de beschikking heeft vermeld dat wél hoger beroep openstond zodat het [appellant] niet kwalijk kan worden genomen dat hij dat heeft gedaan.

5.DE BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep,
bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening houden.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.