In deze civiele bodemzaak vorderen de erfgenamen bewijs dat een saldo op bankafschriften van Bank of America bestond op de sterfdatum van de overledene en dat dit saldo aan de overledene of een van de eisers toebehoorde. Eisers stelden dat er aanzienlijke bedragen op de bankrekening stonden, onderbouwd met getuigenverklaringen en bankafschriften.
De getuigenverklaringen waren echter onvoldoende concludent en ondersteunden niet dat het saldo daadwerkelijk op de betreffende bankrekening bij Bank of America stond. De verklaringen wezen eerder op bankieren bij een andere bank. Gedaagde bracht diverse bewijsstukken in, waaronder cheques en jaarrekeningen, die weliswaar aantonen dat er geldstromen waren, maar niet dat deze gelden op de betwiste bankrekening stonden.
Het Gerecht concludeerde dat eisers niet aan hun bewijsopdracht hadden voldaan en dat het saldo op de bankrekening aan gedaagde toekomt. De onderhandse akte van verdeling uit 2015 werd als rechtsgeldig beoordeeld en de vorderingen van eisers werden afgewezen, behoudens een reconventionele vordering die werd toegewezen. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen vanwege de familieband.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.J.J. van Rijen op 4 maart 2026, waarbij het vonnis in het openbaar werd uitgesproken.