Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag Algemene Bestedingsbelasting (ABB) opgelegd over de levering van een onroerende zaak, met een vergrijpboete wegens niet-tijdige betaling. De levering vond juridisch plaats op 29 december 2011, maar belanghebbende stelde dat reeds begin 2011 een mondelinge koopovereenkomst bestond met een lagere waarde.
Het Gerecht oordeelde dat de levering pas bij de notariële akte juridisch plaatsvond, maar erkende dat partijen begin 2011 een overeenkomst sloten. De waarde in het economisch verkeer op dat moment was echter hoger dan de overeengekomen vergoeding, mede gezien de bouwkosten en de taxatierapporten.
Daarom werd de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag gebaseerd op een waarde van USD 575.202 in plaats van USD 1.500.000 of USD 315.640. De boete werd eveneens verminderd tot 25% van het niet of te laat betaalde bedrag. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van de waarde in het economisch verkeer bij ABB-heffing en stelt dat het risico van waardeveranderingen reeds bij de mondelinge overeenkomst overging, ondanks dat de juridische levering later plaatsvond.