ECLI:NL:OGEABES:2025:74

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
EUX202500057
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMBurgerlijk WetboekECLI:NL:HR:2022:349ECLI:NL:OGEABES:2025:30
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap en DNA-onderzoek op Sint Eustatius

Verzoeker, een meerderjarige van 18 jaar, verzoekt het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba om verweerder te bevelen mee te werken aan DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen. Hoewel Sint Eustatius geen wettelijke regeling kent voor gerechtelijke vaststelling van vaderschap, is dit op grond van recente jurisprudentie wel mogelijk.

Verzoeker baseert zijn verzoek op informatie van zijn moeder en de emotionele impact van opgroeien zonder vader. Verweerder ontkent het vaderschap en betwist de juistheid van het verzoekschrift. Het Gerecht oordeelt dat het verzoek tot DNA-onderzoek toewijsbaar is, omdat het recht van het kind op informatie over zijn biologische afstamming prevaleert boven het recht van verweerder om dit te verbergen.

Het verzoek tot vaststelling van alimentatie over de minderjarigheidsperiode wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat een dergelijk verzoek door de ouder moet worden ingediend. De kosten van het DNA-onderzoek worden gelijkelijk verdeeld, waarbij verzoeker de kosten moet vergoeden als uit het onderzoek blijkt dat verweerder niet de vader is.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen zes weken worden aangevochten. Hiermee wordt verweerder veroordeeld mee te werken aan het DNA-onderzoek binnen één maand na de uitspraak.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot medewerking aan DNA-onderzoek; verzoek tot alimentatie wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
LOCATIE SINT EUSTATIUS
Zaaknummer: EUX202500057
Beschikking van 10 november 2025
op het verzoek van
[verzoeker],
wonend in Sint Eustatius,
verzoeker,
tegen
[verweerder],
wonend in Sint Eustatius,
verweerder.
De zaak in het kort
Verzoeker (18 jaar) verzoekt het Gerecht te bepalen dat verweerder moet meewerken aan DNA-onderzoek om vast te stellen dat verweerder zijn biologische vader is. Sint Eustatius kent geen wettelijke regeling, waarbij dat mogelijk is, maar op grond van recente jurisprudentie van het Gerecht is dat ook op Sint Eustatius mogelijk gemaakt. Verzoek toegewezen. Verzoek om alimentatie vast te stellen over de periode van de minderjarigheid van verzoeker afgewezen.
The case in brief
The applicant (aged 18) requests the Court to order the defendant to cooperate in DNA testing to establish that the defendant is his biological father. Sint Eustatius has no legal provisions enabling this, but based on recent case law of the Court this is also possible on Sint Eustatius. Request granted. Request to establish child support for the period of the applicant's minority rejected.

1.Het verloop van de rechtszaak

1.1.
Verzoeker heeft op 8 september 2025 een verzoekschrift bij de griffie ingediend. Het verzoek is behandeld op de zitting van 14 oktober 2025, zonder publiek. Op de zitting heeft de rechter gesproken met verzoeker en verweerder.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Verzoeker is op [geboortedatum] geboren. In de registers van de burgerlijke stand van Sint Eustatius is geen vader van verzoeker vermeld.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Verzoeker vraagt het Gerecht om verweerder te bevelen mee te werken aan een DNA-test om zodoende het vaderschap vast te stellen. Daarnaast verzoekt hij met terugwerkende kracht een bedrag vast te stellen als bijdrage in zijn levensonderhoud voor de periode van zijn minderjarigheid.
3.2.
Verzoeker legt het volgende aan de verzoeken ten grondslag:
“Ik heb redenen om aan te nemen dat verweerder mijn biologische vader is, omdat mijn moeder mij daarover heeft geïnformeerd. Opgroeien zonder vader heeft een onuitwisbare stempel op mijn leven gedrukt. Van jonge leeftijd werd ik verkeerd begrepen en emotioneel beschadigd door zijn afwezigheid. Ik ervoer verdriet, verwarring en gevoelens van afwijzing die geen enkel kind zou moeten doorstaan. Ik ben zelfs meerdere keren getest op depressie en ik heb geworsteld met angstgevoelens, allemaal voortkomend uit de leegte die mijn vaders afwezigheid achterliet.
Mijn moeder kon de uitdagingen van het alleen opvoeden van mij in deze omstandigheden niet aan. Gelukkig werd ik liefdevol verzorgd door mijn toenmalige wettelijke voogd, een prachtig mens die mij de stabiliteit en begeleiding gaf die ik zo hard nodig had. Toch heeft de afwezigheid van mijn vader een leegte in mijn leven gecreëerd die niemand anders kon opvullen.
Daarom wil ik dat het vaderschap wordt vastgesteld.”
3.3.
Verweerder verklaarde ter zitting nog nooit rechtstreeks door verzoeker te zijn aangesproken. Het verzoekschrift staat verder vol met leugens, aldus verweerder.

4.De redenen voor de beslissing

Ontvankelijkheid
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
4.1.
Allereerst stelt het Gerecht vast dat het burgerlijk wetboek (BW) dat geldt op de BES-eilanden geen procedure kent tot een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zoals in het verzoekschrift bedoeld. Het actuele verzoek van verzoeker (bevel DNA-onderzoek) is alleen van belang als toewijzing ervan kan leiden tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Volgens recente jurisprudentie van dit Gerecht is het ook zonder wettelijke bepaling mogelijk om het Gerecht – na een mogelijk voor verzoeker positief DNA-onderzoek – te verzoeken het vaderschap gerechtelijk vast te stellen. [1] Verzoeker is daarom in zoverre ontvankelijk.
Bijdrage in het levensonderhoud
4.2.
Ter zitting is besproken dat het zeer uitzonderlijk is als een verzoek tot bijdrage in het levensonderhoud met terugwerkende kracht van vóór het indienen van een verzoek daartoe wordt toegewezen. Het verzoek van verzoeker heeft echter ook nog eens betrekking op de periode van zijn minderjarigheid. Een dergelijk verzoek moet worden gedaan door de ouder, niet door het kind zelf. In zoverre is verzoeker dus niet ontvankelijk.
Inhoudelijke overwegingen
4.3.
De moeder van verzoeker heeft verweerder aangeduid als de vader van verzoeker. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het mogelijk is dat verzoeker zijn zoon is, gelet op de geboortedatum van verzoeker.
4.4.
Bij de afweging van de belangen van beide partijen verwijst het Gerecht naar wat de Hoge Raad in 2022 heeft overwogen:
“3.1.2 Het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door art. 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt veeleer toe naarmate een persoon ouder wordt.
3.1.3
Tegenover het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 EVRM Pro. (…)
3.1.4
Over de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het recht van de moeder om zulks ook tegenover haar kind verborgen te houden, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 1994 geoordeeld dat het recht van het kind prevaleert. In dat arrest is overwogen dat deze voorrang, behalve door het vitale belang van dit recht voor het kind, daardoor wordt gewettigd dat de moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind. Deze overweging doet evenzeer opgeld in de verhouding tussen een kind en een persoon van wie aannemelijk is dat hij de biologische vader van het kind kan zijn. Daarom heeft ook in die verhouding te gelden dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. De – relatief geringe – inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader wordt in een zodanig geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is.” [2]
4.4.
Op grond hiervan is het verzoek toewijsbaar, voor zover dat ziet op het DNA-onderzoek.
Proceskosten
4.5.
Voor het vaststellen van een proceskostenveroordeling bestaat in dit geval geen aanleiding.
De kosten van het te verrichten DNA-onderzoek dienen door beide partijen ieder voor de helft te worden gedragen. Indien uit het onderzoek niet volgt dat verweerder de vader van verzoeker is, dient verzoeker de door verweerder betaalde kosten aan hem te vergoeden.

5.De beslissing

Het Gerecht:
5.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in zijn levensonderhoud tijdens zijn minderjarigheid;
5.2.
veroordeelt verweerder om binnen één maand na vandaag mee te werken aan het laten afnemen van DNA om vervolgens via DNA-onderzoek te kunnen vaststellen of verweerder de biologische vader van verzoeker is;
5.3.
bepaalt dat partijen ieder de helft van de kosten van het DNA-onderzoek dienen te betalen;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter bij dit Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de verweerder binnen zes weken, te rekenen van de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen zes weken na de betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.
Summary of the decision in the Judgment
This summary is intended only as a service from the Court to inform the parties and is not intended to replace the judgment. No rights can be derived from it. In case of differences between the judgment and this summary, the judgment in Dutch is always decisive. The Court shall not be liable for any damage arising from any use of this summary.
5. The decision
The Court:
5.1.
declares the applicant's request for the determination of a contribution to his child support during his minority inadmissible;
5.2.
orders the defendant to cooperate within one month of today in having a DNA sample taken so that DNA testing can be carried out to determine whether the defendant is the applicant's biological father;
5.3.
orders each party to pay half of the costs of the DNA testing;
5.4.
declares this decision provisionally enforceable;
5.5.
dismisses the other and further claims.
Appeal against this judgment can be initiated within six weeks of the date of the judgment or after notification thereof or after the decision has become known to the interested party.

Voetnoten

1.Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 14 oktober 2025, ECLI:NL:OGEABES:2025:30
2.Hoge Raad 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:349