Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
margin of appreciationtoekomt. [5]
4.Beslissing
11 maart 2022.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser dat verweerder wordt veroordeeld tot medewerking aan DNA-onderzoek om vast te stellen of verweerder zijn biologische vader is. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof wees deze af met het oordeel dat het belang van verweerder om zijn privacy te beschermen en niet onvrijwillig een DNA-test te ondergaan zwaarder woog dan het belang van eiser.
De Hoge Raad stelt vast dat het recht van het kind op informatie over zijn biologische afstamming een fundamenteel recht is, beschermd door art. 8 EVRM Pro, en dat dit recht in principe prevaleert boven het recht van de vermeende vader om de afstamming verborgen te houden. Het hof had dit uitgangspunt terecht gehanteerd, maar is op ontoereikende gronden van dit principe afgeweken.
De Hoge Raad benadrukt dat het belang van het kind op het vormen van zijn identiteit en persoonlijkheid voorrang heeft, ook als het kind geen concreet belang heeft zoals het verkrijgen van medische informatie of het tot stand brengen van contact. De bezwaren van verweerder tegen DNA-onderzoek kunnen slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zwaarder wegen, wat hier niet het geval is.
Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.