ECLI:NL:OGEAC:2014:9

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
24 juni 2014
Publicatiedatum
25 september 2014
Zaaknummer
Lar 2014/68558
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Landsverordening administratieve rechtspraakArtikel 85 Landsverordening administratieve rechtspraakArtikel 28 Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994Artikel 30 Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken bestuursorgaan bij ontslag Girobank bestuurder

Verzoeker was bestuurder en werknemer van Girobank. Na inwerkingtreding van een noodregeling door de Centrale Bank legde verzoeker zijn bestuurdersfunctie neer, maar bleef hij werknemer onder een arbeidscontract. De Centrale Bank zegde vervolgens het arbeidscontract op met een brief die volgens verzoeker een bestuursrechtelijke beschikking was.

Het Gerecht onderzocht of deze brief kwalificeert als een beschikking in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Uit de wet blijkt dat de Centrale Bank bij de noodregeling de bevoegdheden van bestuurders overneemt, maar het ontslag van bestuurders betreft. Omdat verzoeker zijn bestuurdersfunctie had neergelegd, ging het om opzegging van een civielrechtelijk arbeidscontract.

Het Gerecht concludeerde dat de Centrale Bank bij het ontslagbesluit optrad als bestuurder van Girobank en niet als bestuursorgaan. De brief was daarmee een privaatrechtelijke handeling en geen beschikking. Daarom was het Gerecht niet bevoegd om voorlopige voorzieningen te treffen en wees het verzoek af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de opzegging van het arbeidscontract wordt afgewezen omdat de brief geen bestuursrechtelijke beschikking is.

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak
Uitspraak: 24 juni 2014
Zaaknr. Lar 2014/68558
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Beslissing
op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker],
wonende in Curaçao,
verzoeker,
gemachtigden: mrs. M.F. Murray en J.E. Lovert,
in het geschil tussen verzoeker en:
DE CENTALE BANK VAN CURAÇAO EN SINT MAARTEN,
verweerster,
hierna te noemen: de Bank,
gemachtigden mrs. M.W.J.H. Welten en R.G. Saleh.

1.Aanduiding bestreden beschikking

De brief d.d. 14 april 2014, kenmerk SS/nl/2014-004.409, waarin de contractuele relatie tussen verzoeker en Girobank met hantering van een opzegtermijn van 6 weken op grond van artikel 30 lid 5 van Pro de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 (hierna: Ltbk) wordt beëindigd.

2.Loop van het geding

2.1
Bij pro forma beroepschrift dat op 26 mei 2014 is ingekomen ter griffie van het Gerecht, heeft de gemachtigde van verzoeker beroep ingesteld tegen de in de onder 1 genoemde brief vervatte beschikking (hierna: de bestreden beschikking). Op dezelfde datum is, connex aan voornoemd beroepschrift, een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2.2
Het verzoek is behandeld ter zitting van het Gerecht van 13 juni 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden voornoemd.
Namens verweerster zijn verschenen de gemachtigden voornoemd. Beide partijen hebben pleitnota’s overgelegd en hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling aanvullende stukken ingediend.
2.3
De uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening is bepaald op heden.

3.Feiten

3.1 [
verzoeker] is met ingang van 1 oktober 2010 een arbeidsovereenkomst aangegaan met Girobank. Enige maanden later is hij benoemd tot bestuurder van Girobank.
3.2
Op 16 december 2013 is krachtens artikel 28 van Pro de Ltbk de noodregeling uitgesproken ten aanzien van Girobank.
3.3
Op 23 december 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de Bank. [verzoeker] heeft vervolgens op 30 december 2013 zijn functie als bestuurder van Girobank neergelegd. [verzoeker] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het ontslag slechts zijn functie als Managing Director betreft en dat zijn dienstbetrekking met Girobank onverkort van kracht blijft onder de op dat moment geldende arbeidsvoorwaarden.

4.Beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) kan het Gerecht, kort weergegeven, op verzoek van degene die beroep of bezwaar heeft ingesteld tegen een beschikking, een voorlopige voorziening treffen op de grond dat de uitvoering van die beschikking voor diegene onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van die beschikking te dienen doel. Het oordeel in deze procedure kent een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
4.2
Artikel 3 van Pro de Lar bepaalt dat onder een beschikking wordt verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
4.3
Artikel 30 Ltbk Pro luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Indien het gerecht de noodregeling uitspreekt, oefent de Bank bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling uit.
2. De Bank waakt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
(…)
5. De Bank is bevoegd bestuurders en commissarissen namens de kredietinstelling te ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
(…)”.
4.4
In de eerste plaats dient de vraag te worden beantwoord of de onder 1. genoemde brief van de Bank een beschikking is in de zin van artikel 3 van Pro de Lar. Daarbij is van belang dat de Bank heeft beoogd het arbeidscontract van [verzoeker], dat gelet op de inhoud daarvan civielrechtelijk van aard is, op te zeggen. Blijkens de onder 1. genoemde brief heeft de Bank aanvankelijk artikel 30, vijfde lid, van de Ltbk aan de opzegging ten grondslag willen leggen. Ingevolge de brief van de Bank van 11 juni 2014 en de toelichting daarop tijdens de mondelinge behandeling, begrijpt het Gerecht dat de Bank heeft bedoeld artikel 30, lid 1, van de Ltbk aan de opzegging ten grondslag te leggen. Dit laatste komt het Gerecht juist voor, nu artikel 30, lid 5, van de Ltbk uitsluitend ziet op het ontslag van bestuurders en commissarissen en vast staat dat [verzoeker] zijn functie als bestuurder reeds had neergelegd, waarna het arbeidscontract resteerde.
4.5
Naar voorlopig moet worden geoordeeld, treedt de Bank bij het nemen van de onderhavige ontslagbeslissing ten aanzien van [verzoeker] op de voet van het bepaalde in artikel 30, lid 1, van de Ltbk in de plaats van de bestuurders en commissarissen van Girobank. Daarmee neemt de Bank in zoverre ook de hoedanigheid van die bestuurders en commissarissen aan. Het ontslagbesluit is derhalve door de Bank genomen als bestuurder van de Girobank. Dit leidt tot de conclusie dat de Bank bij het nemen van het ontslagbesluit niet heeft gehandeld in haar hoedanigheid van bestuursorgaan, en dat sprake is van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Gelet op het voorgaande is de Lar-rechter niet bevoegd, nu de onder 1. genoemde brief geen beschikking is in de zin van artikel 3 van Pro de Lar.
4.6
Op grond van het bovenstaande zal het Gerecht het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. De overige gronden behoeven geen nadere bespreking. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

5.Beslissing.

Het Gerecht,
beslissende op het verzoek om voorlopige voorziening:
- wijst het verzoek af.
Aldus gegeven in raadkamer door mr. I.W.M. Laurijssens, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, op 24 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.