ECLI:NL:OGEAC:2016:152

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
23 juni 2016
Publicatiedatum
13 februari 2017
Zaaknummer
BBZ nr. 71130 van 2014
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 Landsverordening Omzetbelasting 1999Art. 6 lid 4 Algemene landsverordening LandsbelastingenArt. 7a lid 1 en 2 Landsverordening op het beroep in belastingzakenArt. 8b Landsverordening op het beroep in belastingzakenArt. 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep en proceskostenvergoeding in omzetbelastingzaak

Belanghebbende kreeg op 28 februari 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het jaar 2012. Hiertegen werd tijdig bezwaar gemaakt, maar de Inspecteur handhaafde de aanslag op 19 september 2014. Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Tijdens de procedure werd abusievelijk een verkeerde oproeping verstuurd, waarna partijen schriftelijk toestemming gaven om de mondelinge behandeling achterwege te laten.

In de beroepsfase heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende alsnog gehonoreerd en de aanslag vernietigd, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan belang. Belanghebbende verzocht om vergoeding van proceskosten omdat zij van mening was onterecht als ondernemer te zijn aangemerkt en kosten had gemaakt voor deskundige bijstand.

Het Gerecht oordeelde dat belanghebbende recht heeft op toepassing van het gunstiger overgangsrecht inzake proceskostenvergoeding volgens artikel 15 van Pro de Landsverordening op het beroep in belastingzaken. De hoogte van de vergoeding werd vastgesteld op Naf. 700, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij geen bijzondere omstandigheden tot afwijking van de forfaitaire berekening werden aangetroffen.

Het Gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de Inspecteur tot betaling van de proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat schriftelijk verzet open binnen twee maanden na toezending.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de Inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van Naf. 700.

Uitspraak

Uitspraak van 23 juni 2016
BBZ nr. 71130 van 2014
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
Na vereenvoudigde behandeling van het beroep in de zin van artikel 7a van de
Landsverordening op het beroep in Belastingzaken in het geding tussen:
X N.V., gevestigd in Curaçao,
Belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,
De Inspecteur,

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 28 februari 2014 voor het jaar 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd.
1.2
Belanghebbende is op 11 maart 2014 tijdig hiertegen in bezwaar gekomen.
1.3
De Inspecteur heeft op 19 september 2014 uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende is op 18 november 2014 tijdig in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar.
1.5
Abusievelijk zijn partijen opgeroepen tot het bijwonen van een reguliere zitting. Ter zitting is aan partijen medegedeeld dat door de griffie per ongeluk een verkeerde oproeping is verstuurd en dat partijen overeenkomstig artikel 10 Landsverordening Pro op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd zijn tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 14 april 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.6
Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven (e-mailbericht van 24 mei 2016 en 25 mei 2016) om de mondelinge behandeling van de zaak achterwege te laten.

2.BEOORDELING VAN HET BEROEP

2.1
Ingevolge artikel 7a, onderdeel b LBB kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
2.2.
De Inspecteur is in de beroepsfase tegemoet gekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft de aanslag vernietigd. Het beroep is in zoverre bij gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk.
2.3
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de proceskosten van de beroepsfase. Zij voert aan dat zij niet belastingplichtig is voor de omzetbelasting omdat zij ingevolge artikel 1, derde lid van de Landsverordening Omzetbelasting 1999 geen ondernemer is. Door het bezwaar te handhaven heeft de Inspecteur daarom uiterst onzorgvuldig gehandeld. Zij is hierdoor gedwongen om in beroep te gaan en daarbij een deskundige in te schakelen hetgeen Naf.1.575 heeft gekost. Zij bepleit een kostenvergoeding ter grootte van dit bedrag.
2.4
Met ingang van het jaar 2016 is in de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) de wettelijke grondslag voor de kostenvergoeding in beroepsfase in artikel 15 LBB Pro geregeld. Volgens het overgangsrecht heeft belanghebbende recht op toepassing van het voor hem gunstiger recht. Het Gerecht is gelet op het vorenstaande bevoegd om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van beroep die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
2.5
Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De regels over de kosten en de wijze van de berekening van de hoogte daarvan, zoals is bedoeld in het tweede lid van artikel 15 LBB Pro, zijn echter nog niet vastgesteld. Het Gerecht zal de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken daarom zelf bepalen en zal hiervoor aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (hierna: Besluit). Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub a van het Besluit en de daarbij behorende bijlage worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire wijze berekend. In bijzondere omstandigheden kan ingevolge het derde lid van artikel 2 van Pro het Besluit worden afgeweken van de forfaitaire berekeningswijze. In het onderhavige geval zijn, anders dan door belanghebbende wordt gesteld, geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die moeten leiden tot afwijking van de forfaitaire berekeningswijze. Het Gerecht neemt hierbij het volgende in aanmerking.
2.6
Aan belanghebbende is een aangiftebiljet uitgereikt zodat zij ingevolge artikel 6, vierde lid van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) gehouden is aangifte te doen. De aangifteplicht is anders dan belanghebbende stelt, niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of belanghebbende belastingplichtig is. De Inspecteur stelt terecht dat de lichamen genoemd in artikel 1, derde lid van de Lv Omzetbelasting alleen voor zover zij op het buitenland gerichte activiteiten verrichten, geen ondernemer zijn. De Inspecteur beoordeelt aan de hand van de aangifte of aan deze voorwaarde wordt voldaan.
2.7
Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB Pro in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 700 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van Naf. 700, een wegingsfactor van 1). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1. Voor de toekenning van een hoger bedrag acht het Gerecht geen termen aanwezig.

3.DE BESLISSING

Het Gerecht:
-verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de beroepsfase vastgesteld op
Naf. 700.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.C.E. Winfield en mr. P.A.H. Lemaire, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.
De griffier, De voorzitter,
Tegen deze uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg (artikel 7b, lid 1 LBB).
De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt overeenkomstig art. 7b, lid 2 LBB twee maanden genomen vanaf de datum van toezending van de uitspraak aan partijen.
Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.