Belanghebbende diende bezwaar in tegen een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2015, die door de Inspecteur was opgelegd op 25 november 2016. Hoewel het bezwaarschrift vóór de dagtekening van de aanslag werd ingediend, verklaarde de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk. Belanghebbende ging hiertegen in beroep.
Het Gerecht oordeelde dat het bezwaar ontvankelijk was omdat de aanslag op dat moment al tot stand was gekomen. De Inspecteur had het verweerschrift te laat ingediend, maar dit leidde niet tot consequenties omdat het geen nieuwe feiten bevatte. Het geschil betrof de juiste vaststelling van het belastbaar inkomen en de toepassing van belastingtarieven.
Belanghebbende stelde dat aftrekposten ten onrechte niet of te laag waren meegenomen en dat de belastingtarieven onjuist waren toegepast. Het Gerecht oordeelde dat de inhoudingen op loon geen aftrekposten zijn maar voorheffingen, en dat aftrek van kosten op onroerend goed beperkt is tot positieve opbrengsten. Tevens was de AOV-uitkering ten onrechte buiten beschouwing gelaten door de Inspecteur.
De toegepaste belastingtarieven en berekening door de Inspecteur bleken correct. Het Gerecht verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, handhaafde de aanslag en gelastte vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.