Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
29.297
-/- 753
804
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
5.PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende, wonende te Curaçao, maakte bezwaar tegen de door de Inspecteur opgelegde premieheffing AVBZ over het jaar 2015. Het geschil betrof de vraag of het gehele premie-inkomen, bestaande uit pensioen, AOW-uitkering en loon uit dienstbetrekking, tegen het lagere tarief van 1,5% moest worden belast.
De Inspecteur had het pensioeninkomen van NAf 26.973 belast tegen 1,5%, terwijl de overige inkomsten, waaronder de AOW-uitkering en het loon, tegen 2% werden belast. Belanghebbende stelde dat het gehele premie-inkomen tegen 1,5% moest worden geheven.
Het Gerecht oordeelde dat het lagere tarief van 1,5% uitsluitend van toepassing is op pensioeninkomen zoals omschreven in de Landsverordening AVBZ en het Landsbesluit AVBZ-premie 1999. AOW-uitkeringen vallen hier niet onder omdat deze niet voortkomen uit een vroegere dienstbetrekking. Daarom is de aanslag van de Inspecteur correct vastgesteld en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Het vonnis werd uitgesproken op 8 februari 2019 door rechter mr. dr. A.J.H. van Suilen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de premieheffing AVBZ is correct vastgesteld met 1,5% op pensioeninkomen en 2% op overige inkomsten.