Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
[eiser],
de minister van Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
zes wekenna kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Eiser verzocht op 30 november 2017 om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid in Curaçao. Verweerder wees dit verzoek op 24 maart 2018 af omdat eiser een eerste aanvraag deed en zonder geldige verblijfstitel in Curaçao verbleef, wat in strijd is met het uitlandigheidsvereiste zoals opgenomen in artikel 9 van Pro de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU).
Eiser beriep zich op het vertrouwensbeginsel en verwees naar een aantekening van de minister van Justitie op een eerdere brief van 19 april 2017, waarin werd aangegeven dat het verzoek om dispensatie van het uitlandigheidsvereiste werd geaccordeerd. Het Gerecht oordeelde echter dat deze aantekening geen toezegging vormde waarop eiser redelijkerwijs mocht vertrouwen, mede omdat eiser ten tijde van het verzoek niet over een geldige verblijfstitel beschikte.
Het Gerecht benadrukte dat het beleid voorschrijft dat verzoeken tot eerste toelating in het buitenland moeten worden afgewacht en dat het verblijf zonder geldige titel in Curaçao een grond is voor afwijzing. Ook de omstandigheden waaronder de aantekening was geplaatst boden onvoldoende zicht op een bindende toezegging. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt ongegrond verklaard.