ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG3799

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
188 HLAR 16/07
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 LTU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vergunningen tot tijdelijk verblijf op grond van openbare orde en middelenvereiste

Appellanten verzochten om vergunningen tot tijdelijk verblijf op Curaçao, welke door de gezaghebber namens de minister van Justitie werden geweigerd. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten stelden dat zij recht hadden op dispensatie en dat aan het middelenvereiste was voldaan, en voerden aan dat zij reeds een bestaan hadden opgebouwd op Curaçao.

Het Hof overwoog dat dispensatie slechts betrekking heeft op het afwachten van een beslissing in het buitenland en dat dit geen verblijfstitel oplevert. Omdat de vergunningen op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de LTU geweigerd konden worden wegens openbare orde en algemeen belang, behoefde het Hof niet te toetsen aan het middelenvereiste onder b. De klachten van appellanten werden ongegrond verklaard.

Verder oordeelde het Hof dat de door appellanten aangevoerde omstandigheden betreffende het familie- en gezinsleven in het hoger beroep niet waren aangevoerd en daarom niet konden worden meegewogen. Het Hof bevestigde de uitspraak van het Gerecht en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het Gemeenschappelijk Hof bevestigt de weigering van de vergunningen tot tijdelijk verblijf en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

188 HLAR 16/07
Datum uitspraak: 29 november 2007
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellante sub1],
2. [appellante sub 2],
3. [appellante sub 3],
4. [appellante sub 4],
allen wonend op [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 29 maart 2007 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden beschikkingen van 27 mei 2006, nrs. 6001050100/1, 6001050102/1, 6001035214/2 en 6001035218/2, alle verzonden op 15 augustus 2006, heeft de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de gezaghebber) namens de minister van Justitie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen.
Bij uitspraak van 29 maart 2007 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 mei 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2007, heeft de minister van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2007, waar appellanten sub 1, 3 en 4, bijgestaan door mr. J.J. Oedjaghir en mr. S. Bhulai, advocaten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.E.A. Doorstam, ambtenaar in dienst van het Eilandgebied Curaçao, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de LTU) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de Minister van Justitie worden geweigerd:
a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;
b. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
2.2. Aan de weigering is ten grondslag gelegd dat appellanten, hoewel zij niet waren toegelaten, in de Nederlandse Antillen zijn aangetroffen en voorts de vader van de kinderen, bij wie appellanten stellen verblijf te beogen, niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.
2.3. Appellanten klagen dat het Gerecht, door te overwegen dat zij zich zonder te zijn toegelaten op het eiland bevonden, heeft miskend dat de vader bij brief van 22 maart 2005 de gezaghebber om verlof tot het indienen van een aanvraag voor een vergunning tot verblijf heeft verzocht. Nu dit verlof bij brief van 18 april 2005 aan appellanten sub 1 en 2 is verleend, was het verblijf in zoverre niet zonder rechtsgeldige verblijfstitel, aldus appellanten.
Volgens appellanten heeft het Gerecht ook miskend dat vaker dispensatie van het vereiste de beslissing op een verzoek om toelating in het buitenland af te wachten wordt verleend in gevallen waarin personen al enige tijd op het eiland verblijven.
Voorts klagen appellanten dat het Gerecht heeft miskend dat aan het middelenvereiste, gesteld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de LTU, is voldaan.
Tenslotte klagen zij dat het Gerecht onvoldoende gewicht heeft gehecht aan de omstandigheden dat zij op Curaçao reeds een bestaan hebben opgebouwd, de kinderen het op school goed doen en zij alles hebben ondernomen om een legale status te verkrijgen.
2.3.1. Naar de minister ter zitting onweersproken heeft verklaard, heeft zogenoemde dispensatie slechts betrekking op het vereiste dat de beslissing op een verzoek om toelating in het buitenland moet worden afgewacht. Dispensatie kan volgens het gevoerde beleid uitsluitend worden verleend in geval reizen naar het buitenland in verband met de gezondheidstoestand van de desbetreffende vreemdeling niet mogelijk is. Met dispensatie beschikt de desbetreffende vreemdeling niet over een verblijfstitel, als bedoeld in de LTU. Hij kan daaraan evenmin de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hem een vergunning tot verblijf zal worden verleend.
Dat, naar gesteld, aan anderen die al enige tijd op het eiland verblijven dispensatie is verleend, betekent niet dat appellanten niet mocht worden tegengeworpen dat zij niet zijn toegelaten.
2.3.2. Nu de gevraagde vergunningen op de voet van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de LTU konden en mochten worden geweigerd, behoefde het Gerecht niet te onderzoeken of de minister de vergunningen tevens met toepassing van het bepaalde onder b van die bepaling mocht weigeren. Hetgeen appellanten omtrent het zogenoemde middelenvereiste hebben gesteld, kan hierom buiten bespreking blijven.
In de door hen gestelde omstandigheden heeft het Gerecht terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet ten gunste van appellanten van het gevoerde beleid af te wijken.
De klachten falen.
2.4. Appellanten klagen tenslotte dat het Gerecht, door geen objectieve belemmeringen voor het familie- of gezinsleven van appellanten in het land van herkomst aan te nemen, heeft miskend dat de vader al tien jaar in de samenleving van Curaçao is opgenomen, de kinderen als gevolg van hun vorming op school moeite zullen hebben om in Colombia de draad weer op te pakken, de werkgever van de vader hem als onmisbare kracht beschouwt, en het gezin in Colombia geen vooruitzichten heeft.
Dit hebben appellanten niet in eerste aanleg aangevoerd. De klacht dat het Gerecht die omstandigheden heeft miskend, faalt reeds daarom.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
Voorzitter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007