Belanghebbende voerde beroep aan tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2016 opgelegd door de Inspecteur. Het geschil betrof met name de correctie 'aansluiting administratie', waarbij de omzetverdeling over onbelaste, laag- en hoogbelaste omzet ter discussie stond.
Tijdens het boekenonderzoek bleek dat belanghebbende niet voldeed aan de administratieplicht: er ontbrak een sluitend kasboek, jaarrekeningen en grootboeken waren niet opgesteld, en er was geen kascontrole. Hierdoor werd de bewijslast omgekeerd, waardoor belanghebbende de juistheid van de schattingen van de Inspecteur overtuigend moest weerleggen.
Belanghebbende baseerde haar tegenbewijs op een reconstructie van het kasboek via kassastroken, maar het Gerecht achtte deze niet overtuigend genoeg om elke redelijke twijfel uit te sluiten. De Inspecteur had zijn correcties gebaseerd op gegevens uit de administratie en waarnemingen ter plaatse, die als redelijk werden beoordeeld.
Het Gerecht oordeelde dat de naheffingsaanslagen niet verder konden worden verminderd dan door de Inspecteur bepleit. Tevens werd geoordeeld dat sprake was van grove schuld wegens ondeugdelijke administratie en te lage aangiften, waardoor de vergrijpboetes terecht werden vastgesteld, zij het verminderd tot 25%. Het Gerecht stelde de boetes uiteindelijk lager vast dan de Inspecteur had voorgesteld, als passende sanctie.
Tot slot werden de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen en boetes verminderd, en de proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.