Belanghebbende, een waarnemend arts te Curaçao, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing AVBZ over 2015. De Inspecteur corrigeerde het belastbaar inkomen onder meer door de aftrek van autokosten voor woon-werkverkeer te weigeren en de ouderentoeslag niet te verhogen. Tevens werd het tarief voor premieheffing AVBZ op AOV- en AOW-uitkeringen toegepast conform de geldende regelgeving.
Tijdens de zitting, geleid via videoverbinding vanwege corona, werd vastgesteld dat autokosten voor woon-werkverkeer volgens artikel 9C LIB niet aftrekbaar zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen uitdrukkelijke en gemotiveerde toezegging was gedaan door de Inspecteur. De verhoging van de ouderentoeslag werd terecht geweigerd omdat geen toerekening van het inkomen van de echtgenote plaatsvond. De voorheffing op spaarrente werd correct verrekend en het tarief premieheffing AVBZ was juist toegepast.
Het Gerecht concludeerde dat de aanslagen correct waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van proceskosten of griffierecht toegekend. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.