ECLI:NL:HR:2000:AA6516
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over vertrouwensbeginsel bij waardering pand in inkomstenbelasting
Belanghebbende had in 1981 een pand gekocht en dit gebruikt voor zijn onderneming. Na staking van de onderneming in 1996 gebruikte hij het pand als woning. De Inspecteur legde een aanslag op op basis van een waardering van 80% van de getaxeerde waarde, terwijl belanghebbende uitging van 60%, conform een jarenlang gevolgde gedragslijn.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de Inspecteur in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld door af te wijken van deze gedragslijn zonder dit kenbaar te maken, en stelde de waardering op 60% van de waarde. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat de gedragslijn van de Inspecteur slechts een impliciete, niet-gepubliceerde standpuntbepaling was en dat geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld die een rechtens beschermd vertrouwen rechtvaardigen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling, met name voor onderzoek naar de waardedrukkende factor van zelfbewoning. Tevens wordt bepaald dat de proceskostenveroordeling achterwege blijft.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Amsterdam en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar waardedrukkende factor zelfbewoning.