ECLI:NL:OGEAC:2025:232

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
CUR202302638
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting van de verhuurder om op te treden tegen huurders die hinder veroorzaken op waterkavels

In deze zaak, behandeld door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, heeft de Stichting Johannes Bosco (SJB) een vordering ingesteld tegen het Land Curaçao. De zaak betreft de verplichting van het Land als verhuurder om op te treden tegen huurders van waterkavels die hinder veroorzaken. Het vonnis, uitgesproken op 17 november 2025, volgt op een eerder tussenvonnis van 24 februari 2025 en diverse aktes van partijen. SJB stelt dat de huurders onrechtmatig handelen door het ongeoorloofd betreden en gebruiken van haar terrein, en dat het Land niet adequaat optreedt tegen deze huurders.

Het Gerecht heeft vastgesteld dat er al decennia sprake is van hinder en onrechtmatig handelen door de huurders. Ondanks eerdere rechterlijke beslissingen hebben de huurders niet voldaan aan hun verplichtingen. Het Gerecht oordeelt dat het Land moet optreden als verhuurder en dat het noodzakelijk is om de huurrelatie te beëindigen en ontruiming te vorderen. Het vonnis bevat een gebod aan het Land om binnen zes maanden een gerechtelijke procedure te starten tegen de huurders voor beëindiging van de huur en ontruiming.

Daarnaast heeft het Gerecht geoordeeld dat SJB geen recht heeft op verklaringen voor recht of schadevergoeding, omdat eerdere uitspraken in de weg staan aan deze vorderingen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het onmiddellijk moet worden nageleefd, ongeacht eventuele hoger beroep procedures.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202302638
Vonnis van 17 november 2025
inzake
STICHTING JOHANNES BOSCO,
gevestigd te Curaçao,
eiseres,
gemachtigden: mrs. S.J.C. Anthonio en M.F. Murray,
tegen
HET LANDCuraçao,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde,
gevolmachtigden: mrs. G.N. Hollander en E.A.M.J. van den Berg.
Partijen worden hierna SJB en het Land genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 24 februari 2025;
  • de aktes uitlating van partijen van 26 mei 2025;
  • de akte uitlating producties van SJB van 23 juni 2025.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

De aan partijen gestelde vragen
2.1.
Bij het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld de daarin opgenomen vragen te beantwoorden. Hun antwoorden zijn hieronder samengevat weergegeven:
-
in hoeverre is uitvoering gegeven aan het tegen [waterkavelhuurder 2] gewezen vonnis van het Hof van 23 april 2024 (zie hiervoor onder 6.4)?
SJB: [waterkavelhuurder 2] heeft de meeste boten en pieren verwijderd, maar niet pilaren van de pieren, de erfafscheiding, de betonnen vloer en de sceptic tank. Hij blijft terrein van SJB gebruiken, ook om naar en van zijn waterkavel te gaan. Dwangsommen zijn verbeurd maar niet te verhalen.
Land: De drijvende pier is door [waterkavelhuurder 2] verwijderd. De rest staat er nog.
- in hoeverre is door [waterkavelhuurder 1] gevolg gegeven aan de brief van het Land van 2 februari 2024 (zie hiervoor onder 6.5)?
SJB: Het Land heeft bevestigd dat [waterkavelhuurder 1] geen gehoor heeft gegeven aan de sommatie.
Land: Er is geen uitvoering gegeven aan de brief. De illegaal opgerichte opstallen op de illegaal geoccupeerde percelen staan er nog steeds.
- wat zijn de definitieve conclusies van het Land ten aanzien van de geoorloofdheid van de aanwezigheid en/of de wijze van gebruik per bouwwerk genoemd in het overzicht (zie hiervoor onder 6.6)?
SJB: Het Land is al jaren terug in kennis gesteld van de onrechtmatige situatie. Het Land heeft tijd genoeg gehad voor onderzoek, maar heeft dat nagelaten.
Land: Er zijn nog geen definitieve conclusies. Er is nog geen beleidskader voor de bestemming Water inzake het EOP. Het Land moet voldoen aan de wet en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- welke maatregelen heeft het Land (verder) getroffen om hinder door zijn huurders aan SJB weg te nemen?
SJB: Het Land heeft geen maatregelen getroffen.
Land: Vooralsnog geen.
- welke maatregelen is het Land voornemens te treffen om hinder door zijn huurders aan SJB weg te nemen, en binnen welke termijn?
SJB: In zijn brief van 22 september 2022 heeft het Land geschreven pas in actie te zullen komen als het Gerecht heeft vastgesteld dat het Land onrechtmatig jegens SJB handelt door niet op te treden.
Land: Er moet eerst een beleidskader komen, ook om te bepalen wat onder overmatige hinder wordt verstaan als bedoeld in art. 13 EOP. De situatie is complexer dan aanvankelijk ingeschat. Er zijn (drone)foto’s gemaakt en gebouwen opgemeten, in het kader van nader onderzoek om de impact voor de omgeving te kunnen inschatten en beoordelen. Daarvoor zijn nog drie maanden nodig.
[foto]
(door het Land overgelegde luchtfoto van de huidige situatie)
Het belang van SJB bij haar vordering
2.2.
Uit de in het tussenvonnis onder 2.4 opgenomen uitspraken van dit gerecht en van het Hof, blijkt dat al decennia sprake is van hinder en onrechtmatig handelen door de huurders van de waterkavels jegens SJB. Het betreft onder meer a) het ongeoorloofd (laten) betreden van het terrein van SJB, het ongeoorloofd bebouwen, opvullen en anderszins gebruiken van de dijk van SJB en c) het zonder bouwvergunning bouwen op en buiten de waterkavels.
2.3.
Uit de beantwoording van de bij het tussenvonnis aan partijen voorgelegde vragen blijkt dat SJB nog belang heeft bij haar vordering. De huurders hebben niet voldaan aan de tegen hen uitgesproken veroordelingen en er is nog geen sprake van ingrijpen door het Land, noch in zijn hoedanigheid van verhuurder van de waterkavels, noch als handhaver voor wat betreft het zonder vergunning op en buiten die waterkavels gebouwde.
Het Land moet optreden als verhuurder
2.4.
Naar het oordeel van het gerecht kan inmiddels van het Land gevergd worden dat het Land optreedt tegen zijn huurders. Op de uitspraak van het gerecht uit 1998 waarbij de vorderingen van SJB tegen (de rechtsvoorganger van) het Land werden afgewezen, [1] is een trits aan rechterlijke beslissingen gevolgd waarbij het onrechtmatig handelen van de huurders jegens SJB is vastgesteld en de huurders jegens SJB zijn veroordeeld dat handelen te staken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken. [2] Tussen partijen staat vast dat de huurders niet of nauwelijks aan die beslissingen hebben voldaan en dat het onrechtmatig handelen jegens SJB voortduurt. Gesteld noch gebleken is dat SJB zelf nog civielrechtelijke (rechts)middelen tot haar beschikking heeft die zij in redelijkheid moet benutten alvorens zij zich tot het Land als verhuurder wendt. Bij die stand van zaken bestaat voor het Land als verhuurder jegens SJB als buur op grond van hetgeen maatschappelijk betaamt de verplichting alles te doen wat redelijkerwijze in zijn vermogen ligt de stoornis te beëindigen. Een effectieve wijze van beëindiging is, zoals SJB mede vordert, de beëindiging van de huurovereenkomsten op grond van tekortkomingen van de huurder jegens de verhuurder, gevolgd door ontruiming. [3]
2.5.
Onder c) van haar petitum [4] heeft SJB een zeer ruim gebod aan het Land geformuleerd, op straffe van dwangsommen. Het gerecht zal het Land gebieden in een gerechtelijke procedure de beëindiging/ontbinding van de huur van de betreffende waterkavels en de ontruiming te vorderen. Een dergelijke procedure zal eraan bijdragen dat voor alle betrokkenen, SJB ingegrepen, duidelijkheid ontstaat over het al dan niet rechtens voortduren van de huurrelatie, rechtszekerheid die niet verkregen wordt als het Land zou worden opgedragen de overeenkomsten eenzijdig buiten rechte te beëindigen.
Het Land als handhavende overheid
2.6.
Voor zover SJB aan haar vordering mede ten grondslag legt dat het Land onrechtmatig jegens haar handelt doordat het Land geen gebruik maakt van zijn bestuursrechtelijke bevoegdheden tot handhaving op grond van de Bouw- en Woningverordening, kan zij in die vordering niet worden ontvangen. Bij weigering door het Land (de Minister) van een verzoek om handhaving, staat voor SJB immers beroep open op de bestuursrechter.
2.7.
Het in de onderhavige civiele procedure aan het Land te geven gebod laat de bestuursrechtelijke bevoegdheden van het Land onverlet, evenals mogelijkheden van SJB om op te komen tegen het uitblijven van handhaving terzake illegale occupatie en illegale bouw.
Geen verklaringen voor recht, geen verwijzing naar de schadestaatprocedure
2.8.
De door SJB onder a), b), en d) gevraagde verklaringen voor recht dat het Land onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en haar onder d) gevorderde veroordeling van het Land tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, zullen worden afgewezen.
2.9.
In de eerste plaats staat hieraan meergenoemd 1998-vonnis in de weg, waarin is geoordeeld dat geen sprake was van onrechtmatig handelen van het Land. Sindsdien is er tussen SJB en de huurders veel geprocedeerd over kwesties (zoals de vraag naar de eigendom van de dijk en over het recht van overpad) die van belang waren voor de vraag in hoeverre de huurders onrechtmatig jegens SJB handelden. Het Land heeft, zoals blijkt uit zijn processtukken in dit geding, een aanvang gemaakt met een onderzoek naar door het Land te nemen actie en heeft een van de huurders aangeschreven de door hem illegaal geoccupeerde domeingronden te ontruimen. [5] Er is geen moment aan te wijzen waarop het Land, niettegenstaande het 1998-vonnis, moet worden geacht jegens SJB onrechtmatig te hebben gehandeld door niet op te treden tegen de huurders. Dat in de onderhavige zaak grond wordt gezien het Land te verplichten tot het treffen van maatregelen, doet daar niet aan af.
Slotsom, dwangsom en proceskosten
2.10.
Op grond van het voorgaande zal worden beslist als hierna omschreven.
2.11.
Aangenomen wordt dat het Land gevolg zal geven aan het te geven gebod. Het gerecht ziet daarom geen aanleiding om aan het gebod een dwangsom te verbinden.
2.12.
Omdat partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

3.Beslissing

Het gerecht:
3.1.
gebiedt het Land om binnen zes maanden na deze uitspraak in een gerechtelijke procedure tegen de huurders van de betreffende waterkavels de beëindiging/ontbinding van de huur van die kavels en de ontruiming daarvan te vorderen;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
3.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 17 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.Zie overweging 6.1 van het tussenvonnis.
2.Zie de opsomming onder 2.4 van het tussenvonnis.
3.Hoge Raad 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0719
4.Weergegeven onder 3.1 van het tussenvonnis.
5.Brief van 2 februari 2024, zie overweging 6.5 van het tussenvonnis.