ECLI:NL:OGEAC:2025:235

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
CUR202504017
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering in kort geding en ontbinding arbeidsovereenkomst

In deze zaak, die op 12 november 2025 werd behandeld door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, vorderde de werknemer, die in dienst was bij Acton Academy Curaçao B.V., in kort geding de nietigheid van zijn ontslag op staande voet en doorbetaling van zijn loon. De werknemer was per 21 augustus 2024 in dienst gekomen als 'apprentice guide' met een jaarsalaris van Cg 42.000. Op 2 mei 2025 kreeg hij een concept beëindigingsovereenkomst voorgelegd, maar hij weigerde te tekenen. Op 4 mei 2025 werd hij op staande voet ontslagen. De werknemer betwistte de rechtmatigheid van het ontslag en vorderde in kort geding dat het ontslag nietig werd verklaard en dat zijn loon werd doorbetaald. Acton betwistte de spoedeisendheid van de vordering, maar het gerecht oordeelde dat er voldoende spoedeisend belang was bij de loonvordering. Het gerecht oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat er geen dringende reden was voor het ontslag. De vordering tot doorbetaling van het loon werd toegewezen, evenals de vertragingsrente. Daarnaast werd de arbeidsovereenkomst ontbonden per 5 november 2025, met toekenning van een beëindigingsvergoeding aan de werknemer. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202504017
Uitspraak van 12 november 2025
in de zaak van
[DE WERKNEMER],wonende in Curaçao,
eiser in kort geding, verweerder in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek,
gemachtigde: mr. S.F. Osepa,
tegen
ACTON ACADEMY CURAÇAO B.V.,
gevestigd in Curaçao,
gedaagde in kort geding, verzoekster in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek,
vertegenwoordigd door haar bestuurster […].
Partijen worden hierna [de werknemer] en Acton genoemd.

1.Het procesverloop

In beide zaken

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het inleidend verzoekschrift van [de werknemer] ingediend op 1 oktober 2025;
  • de nadere producties van [de werknemer], ingediend op 28 oktober 2025;
  • de mondelinge behandeling van 5 november 2025, alwaar zijn verschenen [de werknemer] en zijn gemachtigde, alsmede de bestuurster van Acton en haar echtgenoot;
  • de pleitnota’s van partijen;
  • de door Acton voor het eerst ter zitting buiten bezwaar van [de werknemer] overgelegde producties.
1.2.
Uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

In beide zaken
2.1. [
De werknemer] is per 21 augustus 2024 voor onbepaalde tijd bij Acton in dienst gekomen als ‘apprentice guide’ op de door Acton kort daarvoor opgezette basisschool te Jan Sofat. Het overeengekomen jaarsalaris was Cg 42.000. Als taken van [de werknemer] vermeldt de arbeidsovereenkomst:
Responsibilities: Learn to be a Socratic Guide and Gamemaker through observing and participating in Acton Academy's daily life and learning experience. The apprentice will begin work in the Elementary school studio, under the supervision of Tracey Howard.
After initial onboarding and summer preparation, responsibilities will include but are not limited to:
1.
Leading and coordinating daily launches;
2.
Preparing and executing Quests;
3.
Loading challenges into the Tracker each week; and
4.
Making sure each Eagle's progress is transparent as you monitor the health of the studio culture.
2.2.
Op 2 mei 2025 heeft Acton [de werknemer] een concept voor een beëindigingsovereenkomst voorgelegd. Daarin staat dat [de werknemer] uiterlijk op 4 mei 2025 moet tekenen, bij gebreke waarvan Acton hem zal kunnen ontslaan.
2.3. [
De werknemer] heeft niet getekend. Bij brief van 4 mei 2025 (niet overgelegd) heeft Acton hem op staande voet ontslagen. Diezelfde dag heeft Acton de ouders van de leerlingen bericht dat [de werknemer] niet langer voor Acton werkte en dat sprake was van ‘
conduct that was found to be inconsistent with the ethica land moral expectations of our Acton community and resulted in a breach of professional trust’. Benadrukt werd daarbij dat ‘
this matter did not involve any inappropriate behaviour toward the learners.’ Later is nog een sessie belegd waarbij de leerlingen van [de werknemer] en [de werknemer] afscheid van elkaar hebben kunnen nemen.
2.4.
Bij brief van 8 mei 2025 heeft [de werknemer] de nietigheid ingeroepen van het ontslag, heeft hij inhoudelijk gereageerd op de aangevoerde ontslaggronden, heeft hij zich beschikbaar verklaard om zijn werkzaamheden voort te zetten, heeft hij aanspraak gemaakt op doorbetaling, vermeerderd met vertragingsrente, en heeft hij een schikkingsaanbod gedaan. Dat schikkingsaanbod heeft Acton niet aanvaard. Acton heeft [de werknemer] niet meer voor het werk opgeroepen en heeft hem niet meer betaald.

3.Het geschil

In kort geding ([de werknemer])
3.1. [
de werknemer] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. hem te vergunnen kosteloos te procederen;
2. te bepalen dat het door Acton gegeven ontslag op staande voet nietig is, althans dit te vernietigen;
3. Acton te veroordelen om met ingang van 2 mei 2025 het loon en emolumenten aan [de werknemer] te betalen en te blijven betalen totdat het dienstverband op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd, verhoogd met de vertragingsrente conform artikel 7A:1614q BW en de wettelijke rente;
4. Acton te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2. [
de werknemer] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Acton hem ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Voorts is het ontslag volgens hem niet onverwijld gegeven.
3.3.
Acton heeft betwist dat [de werknemer] een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde.
In het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (Acton)
3.4.
Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken of het realistisch is om aan te nemen dat partijen nog goed zullen kunnen samenwerken. Dat leek geen van partijen het geval. Ook heeft de rechter erop gewezen dat in gevallen als deze gebruikelijk is en in de rede ligt dat de werkgever een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst doet, voor het geval het ontslag op staande voet niet standhoudt. Na schorsing van de zitting voor beraad, heeft Acton bevestigd een dergelijk verzoek te willen doen. [De werknemer] had tegen deze processuele gang van zaken geen bezwaar. Beide partijen stemden ermee in dat bij uitspraak van heden beslist wordt over een voorwaardelijke ontbinding per 5 november 2025.

4.De beoordeling

In het kort geding
Spoedeisend belang
4.1
Nu sprake is van een vordering tot doorbetaling van loon, is voor een kort geding vereist spoedeisend belang bij de vordering in beginsel gegeven.
4.2.
Er bestaat geen aanleiding daarover in deze zaak anders te oordelen. Acton heeft verwezen naar berichten op sociale media waaruit blijkt van activiteiten van [de werknemer] na zijn ontslag voor […]. De omstandigheid dat [de werknemer] de afgelopen maanden elders (enige) inkomsten heeft gehad, volgens [de werknemer] ging het deels om vrijwilligerswerk en heeft hij in totaal slechts ongeveer Cg 1.000 (bij)verdiend, maakt niet dat hij geen spoedeisend belang zou hebben bij betaling van zijn loon. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [de werknemer] met vakantie is geweest in Nederland en Frankrijk, nog daargelaten dat [de werknemer] aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van die vakantie goeddeels door zijn schoonmoeder zijn betaald. Overigens geldt voor de ontvankelijkheid van een loonvordering in kort geding niet de eis dat de eiser financieel aan de grond zit. Evenmin kan Acton [de werknemer] met succes tegenwerpen dat hij te lang heeft gedraald met het instellen van zijn vordering. [de werknemer] heeft tijdig (binnen een week en daarmee binnen de wettelijke termijn van zes maanden) de nietigheid van het ontslag ingeroepen en heeft ook daarna volhard in zijn aanspraak op doorbetaling van loon. Ten slotte staat ook niet aan de spoedeisendheid van de vordering in de weg dat [de werknemer] niet is ingegaan op de door Acton gedane schikkingsvoorstellen, waaronder het voorstel om drie maanden voor een van de schoolouders te gaan werken in de bouwbegeleiding.
Maatstaf toewijzing loonvordering in kort geding
4.3.
Voor toewijzing van een loonvordering in kort geding is nodig dat in voldoende mate aannemelijk is dat die vordering ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarvoor is in een kort geding als het onderhavige nodig dat aangenomen kan worden dat in een bodemprocedure de opgegeven dringende reden voor het ontslag op staande voet het ontslag niet kan dragen, en/of dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.
4.4.
Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is nodig dat sprake is van een dringende reden. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de arbeider, die ten gevolge hebben dat van een werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren. Daarnaast is nodig dat de reden voor het ontslag onverwijld aan de wederpartij is medegedeeld. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag dienen alle omstandigheden van het geval, inclusief de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, in onderling verband en samenhang in aanmerking te worden genomen.
Geen dringende reden
4.5.
Acton heeft haar verweer in dit kort geding beperkt tot het ontbreken van spoedeisend belang. Dat verweer is hiervoor verworpen.
4.6.
Uit de (deels pas ter zitting) overgelegde stukken en uit de stellingen van [de werknemer] blijkt dat Acton zich in maart/april 2025 op het standpunt is gaan stellen dat [de werknemer] bij het opstellen van stukken (waaronder een voor de ouders bestemde e-mail) gebruik heeft gemaakt van AI, hetgeen volgens Acton in strijd is met haar beleid. Ook zou [de werknemer], mede getuige zijn AI-gebruik, een groter aantal werkuren hebben opgegeven dan in werkelijkheid besteed. [de werknemer] heeft betwist dat AI-gebruik niet toegestaan zou zijn, en heeft gesteld dat zijn AI-gebruik door Acton aanvankelijk juist werd gestimuleerd. [de werknemer] betwist voorts dat zijn urenopgaves onjuist waren. Volgens hem was zijn functioneren naar behoren, waarbij hij verwijst naar de door hem overgelegde zeer lovende feedback die Acton hem begin april 2025 gaf. Volgens [de werknemer] is de stemming bij Acton echter omgeslagen nadat hij de volgens hem door Acton bij aanvang van de arbeidsovereenkomst aan hem in het vooruitzicht gestelde loonsverhoging ter sprake bracht. Acton schrijft daarover onder meer: ‘
If this is brought up again, you will receive an Honor Code Violation for making unsubstantiated claims’ (productie 13 van Acton).
4.7.
Het gerecht is met [de werknemer] van oordeel dat geen sprake was van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigde. Dit alleen al omdat onvoldoende is gebleken dat Acton [de werknemer], als ‘apprentice guide’, genoegzaam heeft gewaarschuwd dat zijn AI-gebruik haar niet beviel en omdat, gelet op de inhoud van de arbeidsovereenkomst, onvoldoende duidelijk is geworden waarom het door [de werknemer] opgegeven aantal (buitenschoolse) uren relevant is. Zijn loon was daarvan niet afhankelijk en de arbeidsovereenkomst stelt op dat punt geen eisen. Ook hier blijkt niet van een waarschuwing of van duidelijk kenbaar gemaakt beleid.
Geen onverwijldheid
4.8.
Bij het voorgaande komt dat het ontslag, als er al een voldoende solide ontslaggrond was aan te wijzen, niet onverwijld is meegedeeld.
Nietigheid ontslag
4.9.
Op grond van het voorgaande moet in dit kort geding worden aangenomen dat de bodemrechter zal oordelen dat het aan [de werknemer] gegeven ontslag nietig is.
De vordering tot doorbetaling en loonmatiging
4.10.
Ook voor de loonvordering geldt dat in dit kort geding aannemelijk moet zijn dat deze in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
4.11.
De rechter kan op grond van jurisprudentie, naar analogie van artikel 7A:1615r lid 3 BW of op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, de door een werknemer ingediende loonvordering matigen. Het uitgangspunt daarbij is dat een dergelijke matiging slechts aan de orde kan zijn als toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Er dient een mate van terughoudendheid te worden betracht die met deze maatstaf strookt en alle bijzonderheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen (vgl. ECLI:NL:PHR:2018:527,
Hyatt Aruba). Daarbij zullen onder meer een rol spelen in hoeverre de werknemer elders inkomsten heeft verworven, de over en weer gedane schikkingsvoorstellen en de mate van beschikbaarheid van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten. Een in deze zaak relevante omstandigheid is ook de (korte) duur van de arbeidsovereenkomst in verhouding tot het (grote) tijdsverloop tussen het ontslag en het indienen van de loonvordering, gedurende welke periode de werknemer geen arbeid heeft verricht voor de werkgever.
4.12.
Het gerecht acht voorshands aannemelijk dat de bodemrechter in elk geval het overeengekomen loon over de eerste drie maanden na het ontslag toewijsbaar zal achten. Voor de duidelijkheid zal het gerecht dit loon stellen op het loon tot en met 31 juli 2025. In zoverre is de vordering van [de werknemer] in dit kort geding toewijsbaar.
De rente
4.13.
De gevorderde verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW wegens de vertraging in de betaling van loon zal worden toegewezen. Het gerecht ziet aanleiding om deze verhoging, die volgens de wet maximaal 50% kan zijn, in dit kort geding te matigen tot 10%. Ook de wettelijke rente is toewijsbaar.
[de werknemer]’s vordering 2
4.14.
In een kortgedingprocedure kan voorlopig worden geoordeeld over de geldigheid van een ontslag op staande voet, maar kan niet worden
beslistdat een ontslag nietig is of nietig moet worden verklaard. In zoverre is de vordering van [de werknemer] niet toewijsbaar.
Slotsom en kosten
4.15.
Beslist zal worden als hierna in de beslissing omschreven. Acton zal als de in het kort geding overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
4.16.
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen, zal aan [de werknemer] worden toegestaan kosteloos te procederen.
In het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (Acton)
4.17.
Nu het loon van [de werknemer] (deels) doorbetaald moet worden, is de voorwaarde waaronder Actons tegenverzoek is ingesteld vervuld.
4.18.
Voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is onder meer plaats als sprake is van zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve, dadelijk of op korte termijn, dient te worden ontbonden. Partijen hebben ter zitting al bevestigd dat dit hier het geval is. De arbeidsovereenkomst zal bij deze uitspraak worden ontbonden per de ter zitting afgesproken datum, zijnde de datum van de zitting.
4.19.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder ook de korte duur van het dienstverband, zal aan [de werknemer] een beëindigingsvergoeding gelijk aan het loon over een halve maand worden toegekend, zonder toewijzing van cessantia.
4.20.
De proceskosten in de ontbindingszaak zullen worden gecompenseerd.

5.De beslissing

Het Gerecht:
In het kort geding
5.1.
verleent [de werknemer] toestemming om kosteloos te procederen;
5.2.
veroordeelt Acton om aan [de werknemer] te betalen het overeengekomen loon met emolumenten over de periode van 2 mei 2025 tot en met 31 juli 2025, te vermeerderen met 10% wegens vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BW en te vermeerderen met de wettelijke rente;
5.3.
veroordeelt Acton in de kosten van het geding, aan de zijde van [de werknemer] begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 290,50 aan oproepingskosten en Cg 1.500 voor salaris gemachtigde;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde;
In de ontbindingszaak
5.6.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen – voor zover deze nog bestond – met ingang van 5 november 2025, met toekenning ten laste van Acton aan [de werknemer] van een beëindigingsvergoeding gelijk aan het loon over een halve maand;
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 12 november 2025 in het openbaar uitgesproken.