ECLI:NL:OGEAC:2025:275

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
CUR202302694
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling van afkoopsom arbeidsovereenkomst en pensioenpremie door Stichting Bureau Ziektekostenvoorzieningen

In deze zaak vordert de Stichting Bureau Ziektekostenvoorzieningen (BZV) veroordeling van een ex-werkneemster tot terugbetaling van een afkoopsom van de arbeidsovereenkomst en bijstorting van pensioenpremie. De ex-werkneemster, die in 2002 in dienst trad bij BZV, werd in 2013 ontslagen en ontving een beëindigingsvergoeding van NAf 874.984. BZV stelt dat deze betaling onverschuldigd was en dat de ex-werkneemster aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit deze betaling. De ex-werkneemster heeft in reconventie verzocht om te verklaren dat de vordering van BZV is verjaard en dat de door BZV gelegde beslagen opgeheven moeten worden.

Het gerecht heeft vastgesteld dat BZV in 2012 en 2013 onverschuldigde betalingen heeft gedaan aan de ex-werkneemster. De ex-werkneemster heeft een beroep gedaan op verjaring, maar het gerecht oordeelt dat er geen sprake is van verjaring, omdat BZV haar aanspraken tijdig heeft voorbehouden. Het gerecht concludeert dat de ex-werkneemster gehouden is tot terugbetaling van de onverschuldigde betaling van de pensioenpremie, maar wijst de vordering tot terugbetaling van de afkoopsom af. De ex-werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van de beslagkosten en griffierecht aan BZV. De reconventionele vorderingen van de ex-werkneemster worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202302694
Vonnis van 8 december 2025
in de zaak van
STICHTING BUREAU ZIEKTEKOSTENVOORZIENINGEN,gevestigd in Curaçao,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna: ‘
BZV’,
gemachtigden: mrs. M.F. Murray en K.A. Doekhi,
tegen
[GEDAAGDE],
wonend in Curaçao,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna: ‘
[gedaagde]’,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 23 augustus 2023,
  • de als conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie aangemerkte incidentele provisionele vordering van 15 januari 2024;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de akte van [gedaagde] van 14 april 2025;
  • de conclusie van dupliek van [gedaagde] van 20 mei 2024;
  • producties 1 t/m 24 van BZV en producties 1 t/m 21 van [gedaagde];
  • de pleidooizitting van 27 mei 2025 en de daarbij door BZV overgelegde pleitnotities.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
BZV is in 1993 opgericht ten behoeve van de dienstverlening op het gebied van de ziektekostenvoorzieningen in de voormalige Nederlandse Antillen. In verband met de staatkundige wijzigingen in 2010 is in 2009 besloten de taken van BZV voor Curaçao onder te brengen bij de Sociale Verzekeringsbank, SVB.
2.2. [
gedaagde], geboren in 1958, is in 2002 in dienst gekomen van BZV. Zij is, net als het andere BZV-personeel, per 1 januari 2010 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van SVB, in de functie ‘Manager Finance’ tegen een brutoloon van NAf 9.598 per maand. Zij werd door SVB tewerkgesteld bij BZV.
2.3.
Het voormalige bestuur van BZV is per 1 mei 2012 namens BZV een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor een periode van vijf jaar, aangegaan met [gedaagde], tegen een brutoloon van NAf 16.255 per maand plus vergoedingen. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat indien de overeenkomst tussentijds door de werkgever wordt beëindigd, [gedaagde] aanspraak en recht heeft op doorbetaling van het loon tot en met de einddatum, 30 april 2017.
2.4.
Begin 2013 is de arbeidsovereenkomst tussen BZV en [gedaagde] beëindigd. Door BZV is een beëindigingsvergoeding aan [gedaagde] betaald van NAf 874.984, overeenkomend met 85% van haar loon over de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst.
2.5.
BZV heeft haar voormalig bestuurders […] en […] in rechte aangesproken tot schadevergoeding wegens bestuurdersaansprakelijkheid. Dit gerecht heeft beiden bij vonnis van 25 november 2019 veroordeeld tot betaling van afgerond NAf 4,5 miljoen (CUR201800860, ECLI:NL:OGEAC:2019:263), onder meer vanwege de aan [gedaagde] betaalde beëindigingsvergoeding. In hoger beroep heeft het Hof dit vonnis bevestigd, met matiging van de schadevergoeding tot, voor beide bestuurders opgeteld, NAf 4 miljoen (ECLI:NL:OGHACMB:2023:42, cassatieberoep verworpen bij ECLI:NL:HR:2024:1384).

3.De vordering

3.1.
BZV vordert in conventie – samengevat – dat het gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan BZV van Cg 1.364.228,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2013, met haar veroordeling in de beslag- en proceskosten.
3.2. [
gedaagde] vordert in reconventie – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de vermeende vordering van BZV is verjaard en de door BZV ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen op te heffen, met veroordeling van BZV in de proceskosten.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

Procesorde
4.1.
Op de rolzitting van 15 januari 2024, toen [gedaagde] peremptoir stond voor conclusie van antwoord (P2), heeft [gedaagde] een ‘incidentiele provisionele vordering’ ingediend, houdende een beroep op verjaring en een reconventionele vordering. Gelet op artikel 30a Procesreglement Civiele Zaken (‘Opwerpen excepties en incidenten’) was dat te laat. Haar akte is vervolgens beschouwd als een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie. Het gerecht heeft aanleiding gezien voor een voortgezet debat, ook over de inhoudelijke kant van de zaak. Daarbij heeft mede een rol gespeeld dat artikel 30a Procesreglement vaak tot verwarring en onbegrip blijkt te leiden, en bij de eerstvolgende aanpassing van het Procesreglement waarschijnlijk zal worden herzien. BZV is door deze gang van zaken niet onredelijk in haar procesvoering geschaad.
De componenten van de vordering
4.2.
BZV legt aan haar vordering ten grondslag dat door haar in 2012 en 2013 onverschuldigd betalingen zijn gedaan aan [gedaagde] van NAf 489.244 (aankoopsom pensioenpremie) en NAf 874.984 (afkoopsom arbeidsovereenkomst).
Verjaring
4.3. [
gedaagde] heeft een beroep gedaan op verjaring van de vermeende vordering van BZV. Voor vorderingen uit onverschuldigde betaling geldt een verjaringstermijn van vijf jaren (art. 3:309 BW).
4.4.
Bij brieven van 1 juni 2015, 24 maart 2016, 27 juni 2018, 24 oktober 2019 en 14 juni 2023 heeft BZV [gedaagde] aangesproken terzake de volgens haar ten onrechte aan [gedaagde] betaalde pensioenpremie. Voor al deze brieven geldt dat BZV zich daarin haar aanspraak op (terug)betaling ondubbelzinnig voorbehoudt in de zin van art. 3:317 lid 1 BW en dat zij, mits ontvangen, stuitende werking hebben. [gedaagde] heeft de ontvangst van de brief van 24 oktober 2019 betwist. Gelet op de data van de overige brieven is er echter geen sprake geweest van een voltooide verjaringstermijn.
4.5.
Bij brieven van 18 juli 2013, 27 juni 2018, 24 oktober 2019 en 14 juni 2023 heeft BZV [gedaagde] aangesproken terzake de volgens haar ten onrechte aan [gedaagde] betaalde afkoopsom arbeidsovereenkomst. Voor [gedaagde]’s verjaringsberoep geldt ook hier en om dezelfde redenen dat geen sprake is van verjaring.
Grondslag: onverschuldigde betaling
4.6.
De vordering van BZV zal worden beoordeeld naar de grondslag van onverschuldigde betaling. Bij pleidooi heeft BZV als nadere grondslag aangevoerd dat [gedaagde] als quasi-bestuurder ernstige verwijten treft, dat zij gehouden is de door BZV geleden schade te vergoeden en dat zij dus ook uit dien hoofde gehouden is tot (terug)betaling van het gevorderde bedrag. Deze grondslag is echter te laat in het geding aangevoerd. Weliswaar vermeldde BZV in haar verzoekschrift (onder 18) al de quasi-bestuurder (‘
Zo mogelijk kan zij zelfs als toenmalige quasi-bestuurder van SBZV worden aangemerkt’), maar een voldoende stellige grondslag voor de vordering was dit niet. Datzelfde geldt voor de verwijzing in het verzoekschrift (onder 19) naar groepsaansprakelijkheid (‘
Niet ondenkbaar is het voorts dat tussen het toenmalige bestuur van SBZV en [gedaagde] een ‘groep’ in de zin van artikel 6:166 BW is ontstaan als gevolg waarvan eveneens een juridische grondslag ontstaat voor mede aansprakelijkheid’).
Aankoopsom pensioenpremie (NAf 489.244)
4.7.
Ten aanzien van de bestuurders is over de aankoopsom pensioenpremie in het vonnis van dit gerecht van 25 november 2019 het volgende overwogen:
4.34.
De stichting vordert een bedrag van NAf 791.153 ter zake van extra pensioenstortingen ten behoeve van [gedaagde] en [naam collega]. Uit het betoog van de stichting leidt het gerecht af dat weliswaar – voor alle medewerkers van de stichting – een pensioencorrectie nodig was, maar dat in het geval van deze twee medewerkers ten onrechte is uitgegaan van het eindloon in plaats van het middelloon en ook van een ingangsdatum die ruimschoots lag voor de datum van indiensttreding bij de stichting. Ter onderbouwing heeft de stichting een rapport van een actuaris overgelegd, waarin dit standpunt wordt bevestigd.
4.35.
Het gerecht is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is. Op zichzelf kan worden aangenomen dat in het geval van [gedaagde] en [naam collega] een te hoog bedrag aan pensioenstortingen is gedaan. Het gerecht ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van genoemde actuaris. [de bestuurders] hebben echter aangevoerd dat zij destijds zijn afgegaan op berekeningen zoals die aan hen waren voorgelegd door pensioenverzekeraar Ennia en dat zij geen reden hadden om die te betwijfelen. Het rapport van de actuaris bevestigt dat de stichting zich door Ennia heeft laten voorlichten. Uit dat rapport blijkt ook dat de informatie waarop Ennia zich heeft gebaseerd met name door manager finance [gedaagde] werd aangeleverd. Denkbaar is dat [gedaagde] in haar eigen voordeel en in dat van [naam collega] onjuiste gegevens aan Ennia heeft verstrekt op basis waarvan vervolgens door [de bestuurders] als bestuurders te hoge pensioenstortingen zijn geaccordeerd. Dat maakt echter nog niet dat [de bestuurders] persoonlijk een ernstig verwijt treft voor deze te hoge betalingen. Het betoog van de stichting is onvoldoende concreet om daaruit die persoonlijke verwijtbaarheid te kunnen afleiden.
4.8.
Vaststaat dat op aangeven van [gedaagde] door verzekeraar Ennia pensioencorrecties voor het personeel van BZV zijn opgesteld. BZV heeft onder meer met verwijzing naar het pensioenreglement van BZV en naar rapporten van Keesen Actuarissen van 30 september 2014 en 21 oktober 2024 (producties 8 en 20.19 BZV) gemotiveerd uiteengezet dat er geen redelijke grond bestond om bij de herberekening van het pensioen van [gedaagde] uit te gaan van 1 april 1989 als indiensttredingsdatum (de datum waarop zij in dienst van […] trad) en niet van 1 juni 2002 (de datum waarop zij in dienst van BZV trad) en dat ten onrechte is uitgegaan van de eindloonregeling. Uit onder meer de door BZV als producties 20.16 en 20.20 t/m 20.24 overgelegde e-mails tussen [gedaagde] en Ennia blijkt dat [gedaagde] hierbij een leidende rol heeft gespeeld.
4.9.
De juiste extra koopsom had NAf 137.630 moeten zijn, niet NAf 626.874. Een rechtsgrond voor betaling door BZV van het verschil ontbrak. Het door BZV (terug)gevorderde bedrag van Cg 489.244 is dan ook toewijsbaar.
afkoopsom arbeidsovereenkomst (NAf 874.984)
4.10.
Ten aanzien van de bestuurders is over de afkoopsom arbeidsovereenkomst in het vonnis van dit gerecht van 25 november 2019 het volgende overwogen:
4.27.
De vordering van de stichting ziet voor NAf 874.984,24 op het bedrag dat de stichting heeft betaald bij wijze van afvloeiingsregeling van [gedaagde]. Het gerecht begrijpt de onderbouwing van deze vordering als volgt. De stichting, vertegenwoordigd door [de bestuurders], heeft per 1 mei 2012 een arbeidsovereenkomst gesloten met [gedaagde] voor de duur van vijf jaren. De arbeidsovereenkomst bevat de bepaling dat de stichting in geval van tussentijdse opzegging verplicht is het loon door te betalen tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aangaan van deze arbeidsovereenkomst bestond geen rationele grond. Omdat de taken van de stichting door de SVB werden overgenomen, bestond al per januari 2013 aanleiding de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] tussentijds te beëindigen. Dit heeft geleid tot betaling van genoemd bedrag. Geen redelijk handelend bestuurder zou een arbeidsovereenkomst met dergelijke voorwaarden zijn aangegaan. Het aan [gedaagde] betaalde bedrag is daarom schade waarvoor [de bestuurders] aansprakelijk zijn.
4.28.
Het gerecht is van oordeel dat de hier relevante kenmerken van de met [gedaagde] gesloten arbeidsovereenkomst – een bepaalde tijd van vijf jaar en een verplichting om het volledige salaris door te betalen als de overeenkomst tussentijds wordt beëindigd – hoogst ongebruikelijk zijn en potentieel zeer nadelig voor de werkgever. Natuurlijk kunnen er goede redenen zijn om een dergelijke overeenkomst aan te gaan, bijvoorbeeld in geval van een zeer bijzondere expertise die de werkgever koste wat het kost nodig heeft. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken. Integendeel: de omstandigheden waren er juist naar met de nodige voorzichtigheid te opereren waar het betreft het aangaan van langdurige verplichtingen. Niet ter discussie staat immers dat (in elk geval) ten tijde van de indiensttreding van [gedaagde] werd gesproken over de integratie van de stichting in de SVB, zodat onzeker was of en, zo ja, hoe lang de stichting zou blijven voortbestaan. In het verweer van [de bestuurders] heeft het gerecht geen zinvolle reden aangetroffen voor het niettemin aangaan van deze verplichtingen. Dat het mogelijk de wens van de minister van GMN was dat [gedaagde] bij de stichting in dienst zou treden, ontslaat [de bestuurders] niet van hun verantwoordelijkheid om in het belang van de stichting te handelen.
4.29.
Het gerecht concludeert dat geen redelijk handelend bestuurder hetzelfde zou hebben gedaan. [de bestuurders] zijn daarom aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade. Die schade moet worden begroot op het bedrag van de afvloeiingsregeling, omdat de stichting zonder de fout van [de bestuurders] een dergelijke verplichting niet op zich genomen zou hebben.
4.11.
Vastgesteld kan worden dat de in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst vastgelegde bepaalde duur, zonder tussentijdse opzeggingsmogelijkheid, voor BZV zeer ongunstig en voor [gedaagde] zeer gunstig was. Dit te meer omdat, naar ook [gedaagde] moet hebben geweten, BZV op korte termijn zou worden afgewikkeld en haar activiteiten zou staken.
4.12.
Dat aan de door BZV aan [gedaagde] betaalde afkoopsom een bindend advies van een advocaat vooraf is gegaan, mogelijk gevraagd met het oogmerk van de bestuurders om de afkoopsom een zweem van legitimiteit te geven, legt voor het gerecht bij de beoordeling geen gewicht in de schaal.
4.13.
Waar het in de kern op neerkomt is of [gedaagde] een norm heeft geschonden door als werkneemster dit voor haar voordelige en voor haar werkgeefster nadelige contract te sluiten, en wel in zo’n mate en in die zin dat de arbeidsovereenkomst in strijd kan worden geacht met de goede zeden (art. 3:40 BW), dat die overeenkomst tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW) en/of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] BZV aan de overeenkomst houdt (art. 6:248 BW).
4.14.
Naar het oordeel van het gerecht is er onvoldoende grond om bovengenoemde vraag bevestigend te beantwoorden. Een werknemer kan in beginsel niet kwalijk worden genomen dat hij instemt met door de werkgever aangeboden en voor hem gunstige arbeidsvoorwaarden, ook als de werknemer zich moet realiseren dat de werkgever er verstandiger aan had gedaan minder gunstige arbeidsvoorwaarden te offreren.
4.15.
Een bijzonderheid in de onderhavige zaak is dat het ook [gedaagde], gelet op haar positie als ‘manager finance’ van BZV, duidelijk moet zijn geweest dat het bestuur van BZV (gemeenschaps)geld over de balk smeet. Zij voerde bijvoorbeeld de betalingen uit aan accountant […], waarvan in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure en in de procedure tegen Jourdain (ECLI:NL:OGEAC:2019:258) van ruim een miljoen gulden is vastgesteld dat daar geen werkzaamheden tegenover stonden. [gedaagde] nam eerder het bestuur waar en had binnen BZV een leidinggevende functie, dichtbij het bestuur. Ook uit haar optreden bij de hiervoor genoemde pensioenkwestie blijkt dat [gedaagde] bij BZV een zeer invloedrijke rol had.
4.16.
Tegenover het voorgaande staat echter dat [gedaagde] toch ‘slechts’ een werknemer was die zich de gulheid (met gemeenschapsgeld) van de bestuurders heeft laten welgevallen. Daarnaast geldt dat zij, op 58-jarige leeftijd, haar baan bij SVB, waar zij voor onbepaalde tijd in dienst was, heeft opgegeven om bij BZV in dienst te treden, terwijl, afgaand op de feiten vermeld in het bindend advies, er voor [gedaagde] geen weg terug was naar SVB: ‘
Nu [gedaagde] binnenkort de 60-jarige leeftijd zal bereiken en de SVB al heeft aangegeven dat zij geen personeel zal aannemen die bijna 60 jaar is of de 60-jarige leeftijd al heeft bereikt, zal het dienstverband tussen het BZV en de SVP moeten worden beëindigd, nu de bedrijfsactiviteiten van BZV zullen worden gestaakt zodra de taken van het BZV volledig door SVB zijn overgenomen.’ [gedaagde] spreekt in dit verband ook nog van een ‘beschermingsbepaling tegen politieke wisseling van de wacht’. In dit licht is het vanuit [gedaagde] bezien niet vreemd dat zij inkomenszekerheid verlangde en verkreeg.
4.17.
Op grond van het voorgaande is het gerecht van oordeel dat er onvoldoende grond is om [gedaagde] te verplichten de afkoopsom arbeidsovereenkomst (waarop naar zij stelt Cg 250.000 belasting is ingehouden) aan BZV terug te betalen.
De reconventionele vorderingen
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat de reconventionele vorderingen van [gedaagde] moeten worden afgewezen: van verjaring is geen sprake en de vordering tot zekerheid waarvan BZV beslag heeft gelegd is ten dele gegrond.
De kosten
4.19.
In conventie zijn partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. [gedaagde] zal worden veroordeeld ter zake van de beslagkosten Cg 5.000 aan BZV te voldoen en ter zake van griffierecht Cg 3.750. Voor het overige zullen de beslag- en proceskosten in conventie worden gecompenseerd. In reconventie zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten, waarbij het gemachtigdensalaris wordt geliquideerd op basis van Tarief 5, 1 punt.

5.De beslissing

Het gerecht:
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan BZV van Cg 489.244, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2013 tot aan de dag van voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan BZV van Cg 5.000 ter zake beslagkosten en Cg 3.750 ter zake griffierecht, en compenseert de kosten voor het overige in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.5.
wijst af het gevorderde;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van BZV begroot op Cg 1.250 voor salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.