ECLI:NL:OGEAC:2025:278

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
CUR202503383
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over verzoek om openbaarmaking van documenten door eiseres tegen het Land Curaçao

In deze zaak heeft eiseres, vertegenwoordigd door mr. A.K.E. Henriquez, een kort geding aangespannen tegen het Land Curaçao, vertegenwoordigd door mr. S.I. Da Costa Gomez. De eiseres heeft verzocht om openbaarmaking van documenten die verband houden met haar rechtspositie, na een eerdere uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken. De eiseres heeft in het verleden een verzoek ingediend bij de minister van Justitie, maar heeft geen beslissing ontvangen. Het Gerecht in Ambtenarenzaken heeft eerder geoordeeld dat de minister binnen drie maanden na 29 januari 2024 een beslissing moet nemen op het verzoek van eiseres. In het kort geding vorderde eiseres dat het Land zou worden bevolen om te voldoen aan deze uitspraak en om de gevraagde documenten over te leggen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat bij de bestuursrechter. Het Gerecht heeft wel geoordeeld dat eiseres recht heeft op een dwangsom indien het Land niet tijdig beslist op haar verzoek. Het Gerecht heeft het Land veroordeeld in de proceskosten van eiseres, die zijn begroot op Cg 1.450.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202503383
Vonnis in kort geding van 21 oktober 2025
in de zaak van
[Eiseres],wonend in [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez,
tegen
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.I. Da Costa Gomez.
Partijen worden hierna [eiseres] en het Land genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 1 september 2025, met producties,
  • de mondelinge behandeling van 11 september 2025,
  • de pleitnota van [eiseres].
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
eiseres] heeft bij brief van 14 oktober 2022 de minister van Justitie (hierna: de minister) verzocht haar rechtspositie recht te trekken.
2.2.
Op 12 september 2023 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek.
2.3.
Op 20 december 2023 heeft [eiseres] de minister op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: de Lob) verzocht om openbaarmaking van een aantal documenten. De minister heeft [eiseres] een ontvangstbevestiging verstuurd, en daarbij vermeld binnen welke termijn op het verzoek wordt beslist. De minister heeft, ook na het verstrijken van deze termijn, geen beslissing gegeven op het verzoek. Tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek heeft [eiseres] geen rechtsmiddelen aangewend.
2.4.
Bij uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 29 januari 2024 met zaaknummer GAZ CUR202302926 heeft het Gerecht voormeld bezwaar van [eiseres] van 12 september 2023 gegrond verklaard, de weigering om op het bezwaar te beslissen vernietigd en de regering opgedragen binnen 3 maanden na 29 januari 2024 een beslissing te nemen op voormeld verzoek van 14 oktober 2022.
2.5.
Bij brief van 26 maart 2024 heeft de minister aan [eiseres] te kennen gegeven dat een beslissing op het verzoek van 14 oktober 2022 wordt aangehouden, in afwachting van de uitkomst van een onderzoek van de Stichting Overheidsaccountantsbureau (hierna: SOAB). Tot op heden is geen beslissing gegeven op het verzoek van [eiseres] van 14 oktober 2022.

3.De vordering en het verweer

3.1. [
eiseres] vordert op de in het verzoekschrift aangevoerde gronden dat het Gerecht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het Land beveelt binnen twee weken na betekening van dit vonnis te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken d.d. 29 januari 2024, met zaaknummer CUR202302926,
II. het Land beveelt om het rapport van de SOAB (hierna: het rapport) en de documenten betreffende het Lob-verzoek binnen twee weken na betekening van dit vonnis over te leggen aan [eiseres];
III. het Land veroordeelt tot betaling van een dwangsom van Cg 10.000 per dag, of gedeelte daarvan, indien het Land in gebreke blijft dit bevel na te komen, met een maximum van Cg 500.000;
IV. het Land veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.2.
Het Land heeft bij monde van haar gemachtigde te kennen gegeven dat het refereert aan het oordeel van het Gerecht ten aanzien van de nakoming van de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 29 januari 2024. Voor het overige heeft het Land verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang van [eiseres] volgt uit de aard van de vordering.
Nakoming uitspraak Gerecht in Ambtenarenzaken
4.2.
De vordering van [eiseres] om het Land te bevelen te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 29 januari 2024 strekt in essentie tot het geven van het bevel dat een beslissing op het verzoek van [eiseres] van 14 oktober 2022 wordt gegeven. Dat bevel is evenwel al gegeven in de uitspraak van 29 januari 2024 van het Gerecht in Ambtenarenzaken en geldt onverkort. In zoverre zal [eiseres] in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
Wel kan de burgerlijke rechter een uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken kracht bijzetten door daaraan een dwangsom te verbinden. Zie onder meer het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 1 maart 2016 (AR 73963/2015 – H 318/15, ECLI:NL:OGHACMB:2016:8).
4.4.
Het Gerecht overweegt dat [eiseres] voldoende belang heeft bij haar vordering tot het opleggen van een dwangsom om binnen een bepaalde termijn op het verzoek van 14 oktober 2022 te beslissen. Het Gerecht ziet aanleiding de gevorderde dwangsommen toe te wijzen als hierna in de beslissing te melden. Het enkele feit dat het Land in een vergelijkbare zaak een dwangsom heeft laten verbeuren, zoals door [eiseres] gesteld, geeft het Gerecht geen grond voor een andere beslissing.
Overleggen van documenten
4.5.
Het Land heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiseres] nietontvankelijk is in haar vordering om het Land te bevelen het SOAB-rapport en de in het Lob-verzoek vermelde documenten aan haar over te leggen, omdat hiervoor een bijzondere rechtsgang bij een andere rechter openstaat of heeft opengestaan. Dit verweer slaagt. Daartoe overweegt het Gerecht als volgt.
4.6.
Volgens vaste rechtspraak is voor de burgerlijke rechter, ook recht doende in kort geding, in beginsel geen taak weggelegd in geschillen, waarvoor de wet een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengesteld. Dat brengt met zich dat de burgerlijke rechter de eiser niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn vordering, indien een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij een andere rechter openstaat of heeft opengestaan, waarin over die vordering en de daaraan ten grondslag liggende verwijten kan of kon worden beslist.
4.7.
De vordering van [eiseres] strekt tot het verkrijgen van informatie neergelegd in documenten die bij de minister berusten. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lob, voor zover van belang, kan een ieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan. Op grond van artikel 6 van de Lob beslist het bestuursorgaan op het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Aangezien de minister een bestuursorgaan is, kan op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lob bezwaar worden gemaakt dan wel beroep worden ingesteld. Tegen afwijzende beslissingen op verzoeken op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lob staan eveneens bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open. Ten slotte voorziet ook de bestuursrechtelijke rechtsgang in de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen (artikel 85 van de Lar). Zo staat ter zake van de (niet-)afhandeling van verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open. Daarom is er geen plaats voor de burgerlijke rechter om over (het uitblijven van een beslissing op) dergelijke verzoeken een beslissing te nemen.
4.8.
Omdat het Land (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, wordt het Land veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiseres] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450 aan griffierecht en Cg 1.000 aan gemachtigdensalaris. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.

5.De beslissing in kort geding

Het Gerecht:
5.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen:
- het Land te bevelen om binnen twee weken te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 29 januari 2024;
- het Land te bevelen om binnen twee weken het rapport van SOAB en de in het Lob-verzoek verzochte documenten over te leggen;
5.2.
bepaalt dat het Land, indien het Land niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis een beslissing neemt op het verzoek van [eiseres] als omschreven in rechtsoverweging 2.1. van dit vonnis, een dwangsom verbeurt van Cg 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de beslissing uitblijft, met een maximum van Cg 20.000;
5.3.
veroordeelt het Land in de proceskosten van [eiseres] van Cg 1.450;
5.4.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. S.K.V. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken.