ECLI:NL:OGEAC:2025:279

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
CUR202503275
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot oplegging dwangsom voor nakoming eerdere uitspraak ambtenarenrechter

Eiser heeft bij brief van juli 2024 verzocht om benoeming met terugwerkende kracht in een functie bij de UO Openbare Werken. Na uitblijven van een beslissing maakte eiser bezwaar, dat door het Gerecht in Ambtenarenzaken in mei 2025 gegrond werd verklaard, met een opdracht aan de regering om binnen twee maanden te beslissen. Omdat hieraan geen gevolg werd gegeven, vordert eiser in kort geding dat het Land binnen vier weken beslist, met een dwangsom bij niet-naleving.

Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao oordeelt dat het inhoudelijk bevel tot beschikking reeds door de ambtenarenrechter is gegeven en dat eiser in zoverre niet-ontvankelijk is. Wel kan de burgerlijke rechter een dwangsom verbinden aan de eerdere uitspraak om naleving af te dwingen. Het Land is niet verschenen en heeft zich niet verweerd.

Het Gerecht wijst het verzoek tot oplegging van een dwangsom toe, stelt die op 250 gulden per dag met een maximum van 20.000 gulden, veroordeelt het Land in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het overige wordt afgewezen.

Uitkomst: Het Land Curaçao wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij uitblijven van een beslissing binnen vier weken.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202503275
Vonnis in kort geding van 19 september 2025
in de zaak van
[Eiser],wonend in [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
tegen
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [eiser] en het Land genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 22 augustus 2025,
  • de mondelinge behandeling ter zitting van 8 september 2025, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen en verstek is verleend tegen het niet in het geding verschenen Land.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
eiser] heeft bij brief van 26 juli 2024 de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning verzocht hem met ingang van 1 januari 2004 met terugwerkende kracht te benoemen in de functie van Adviseur/Consulent-E dan wel Projectleider-D bij de UO Openbare Werken (hierna: het verzoek).
2.2.
Op 29 november 2024 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek.
2.3.
Bij uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 21 mei 2025 met zaaknummer GAZ CUR202404547 heeft het gerecht het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard, de weigering van de regering om op het bezwaar te beslissen vernietigd en de regering opgedragen binnen twee maanden na 21 mei 2025 een beslissing te nemen op voormeld verzoek. Aan deze uitspraak is geen gevolg gegeven.

3.De vordering

3.1. [
eiser] vordert dat het gerecht het Land beveelt binnen vier weken na betekening van dit vonnis te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken d.d. 21 mei 2025 met zaaknummer CUR202404547, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg 250 per dag dat zij in gebreke blijft, alsmede iedere andere maatregel treft die het gerecht geraden acht, en met veroordeling van het Land in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de vordering.
4.2.
Het gerecht overweegt dat [eiser] in zijn vordering het Land te bevelen inhoudelijk te beschikken op zijn verzoek niet kan worden ontvangen. Dat bevel is immers al gegeven in de uitspraak van 21 mei 2025 van het Gerecht in Ambtenarenzaken en geldt onverkort. In zoverre zal [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
Wel kan de burgerlijke rechter een uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken kracht bijzetten door daaraan een dwangsom te verbinden. Zie onder meer het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 1 maart 2016 (AR 73963/2015 – H 318/15, ECLI:NL:OGHACMB:2016:8).
4.4.
Het Land is niet in het geding verschenen en heeft zich dus niet tegen de vordering verweerd.
4.5.
Het gerecht overweegt dat [eiser] belang heeft bij zijn vordering een dwangsom te stellen op het binnen een bepaalde termijn inhoudelijk beschikken op zijn verzoek. Dit onderdeel van de vordering van [eiser] zal worden toegewezen als na te melden.
4.6.
Omdat het Land (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, wordt het Land veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 322,47 aan oproepingskosten en Cg 1.000 aan gemachtigdensalaris.

5.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering het Land te bevelen binnen vier weken na vonnis datum inhoudelijk te beschikken op zijn verzoek;
5.2.
bepaalt dat het Land, indien het Land niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis een beslissing neemt op het verzoek van [eiser] zoals omschreven in rechtsoverweging 2.1. van dit vonnis, een dwangsom verbeurt van Cg 250 voor iedere dag dat de beschikking uitblijft, met een maximum van Cg 20.000;
5.3.
veroordeelt het Land in de proceskosten van [eiser] van Cg 1.772,47;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. S.K.V. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken.