ECLI:NL:OGEAC:2026:1

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
CUR202500511 tot en met CUR202500514
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzuimboetes loonbelasting en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ opgelegd aan belanghebbende

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 7 januari 2026 uitspraak gedaan over de verzuimboetes die aan de belanghebbende zijn opgelegd door de Inspecteur der Belastingen. De belanghebbende had verzuimboetes ontvangen voor het niet tijdig betalen van loonbelasting (LB) en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ over het tijdvak december 2023. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze boetes, maar de Inspecteur heeft deze gehandhaafd. De belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld, waarbij zij een griffierecht van NAf 150 heeft betaald. Tijdens de zitting op 18 september 2025 is de belanghebbende vertegenwoordigd door twee personen, terwijl de Inspecteur werd vertegenwoordigd door mr. [C]. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de Inspecteur de belanghebbende niet heeft gehoord, wat in strijd is met de hoorplicht. Hierdoor zijn de uitspraken op bezwaar vernietigd. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de verzuimboetes moeten worden verminderd naar het minimum van NAf 50 voor de LB en premies AOV/AWW en AVBZ, terwijl de boete voor de premie BVZ van NAf 50 gehandhaafd blijft. De Inspecteur heeft niet overtuigend aangetoond dat er sprake was van opzet of grove schuld, waardoor de hogere boetes niet van toepassing zijn. De kosten van de procedure zijn voor rekening van de Inspecteur, die ook het griffierecht moet vergoeden.

Uitspraak

Uitspraak van 7 januari 2026
BBZ nrs. CUR202500511 tot en met CUR202500514
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende zijn op 20 maart 2024 verzuimboetes loonbelasting (LB) en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ opgelegd over het tijdvak december 2023. Daarbij zijn op de boetebeschikkingen de volgende bedragen vermeld:
LB:
Aangifte
160.850,00
Op tijd Betaald
24.752.00
Aanslag
136.098,00
Te laat Betaald
136.098.00
+
Boete
2.500,00
Totaal
2.500,00
Premies AOV/AWW:
Aangifte
6.889,00
Op tijd Betaald
2.884,00
Aanslag
4.005,00
Te laat Betaald
4.005,00
+
Boete
200,00
Totaal
200,00
Premie AVBZ:
Aangifte
7.479,00
Op tijd Betaald
1.570,00
Aanslag
5.909,00
Te laat Betaald
5.909,00
+
Boete
295,00
Totaal
295,00
Premie BVZ:
Aangifte
2.855,00
Op tijd Betaald
1.903,00
Aanslag
952,00
Te laat Betaald
952,00
+
Boete
50,00
Totaal
50,00
1.2
Belanghebbende heeft op 16 mei 2024 tegen de verzuimboetes bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken van 27 december 2024 de verzuimboetes gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende heeft op 12 februari 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.5
De Inspecteur heeft op 16 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.6
Belanghebbende heeft op 16 september 2025 een pleitnota ingediend.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2025 te Willemstad. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A] en [B] verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [C].

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende heeft op 10 januari 2024 nihilaangiften LB en premies over het tijdvak december 2023 gedaan.
2.2
Belanghebbende heeft op 11 januari 2024 de volgende bedragen aan LB en premies over het tijdvak december 2023 betaald: NAf 24.752 (LB), NAf 2.884 (premies AOV/AWW), NAf 1.570 (premie AVBZ) en NAf 1.903 (premie BVZ).
2.3
Belanghebbende heeft op 9 februari 2024 herziene aangiften over het tijdvak december 2023 gedaan. Volgens deze aangiften is belanghebbende over het tijdvak december 2023 NAf 160.850 aan LB, NAf 6.889 aan premies AOV/AWW, NAf 7.479 aan premie AVBZ en NAf 2.855 aan premie BVZ verschuldigd.
2.4
Belanghebbende heeft eveneens op 9 februari 2024 de volgende bedragen aan LB en premies over het tijdvak december 2023 betaald: NAf 136.098 (LB), NAf 4.005 (premies AOV/AWW), NAf 5.909 (premie AVBZ) en NAf 952 (premie BVZ). Het gaat daarbij om de op aangiften verschuldigde bedragen aan LB en premies (2.3) minus de reeds betaalde bedragen (2.2).
2.5
De Inspecteur heeft op 20 maart 2024 verzuimboetes vanwege het (gedeeltelijk) niet (tijdig) betalen van de op aangiften aangegeven verschuldigde belasting opgelegd. Bij de hoogte van de verzuimboetes is de Inspecteur uitgegaan van een eerste verzuim (5%), met een minimum bedrag van NAf 50 en een maximum bedrag van NAf 2.500.

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of de verzuimboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.

4.OVERWEGINGEN

Vooraf: schending hoorplicht

4.1
Ingevolge artikel 30, lid 4, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) dient de belanghebbende die daartoe in zijn bezwaarschrift het verlangen te kennen geeft, voor de uitspraak door de Inspecteur te worden gehoord.
4.2
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om te worden gehoord. De Inspecteur heeft nagelaten belanghebbende te horen. De Inspecteur heeft geen omstandigheden aangevoerd die noopten tot afwijking van artikel 30, lid 4, van de ALL. Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbende door de gang van zaken bij het horen benadeeld. De uitspraken op bezwaar dienen reeds hierom te worden vernietigd.
4.3
Nu belanghebbende hier ter zitting mee heeft ingestemd, zal het Gerecht de zaak niet terugwijzen naar de Inspecteur.
Verzuimboetes
4.4
Het Gerecht stelt voorop dat de Inspecteur met de in 1.1 vermelde boetebeschikkingen niet heeft bedoeld om naheffingsaanslagen op te leggen. Dat is terecht nu op die datum (20 maart 2024) de verschuldigde LB en premies volledig waren betaald.
4.5
Vaststaat dat belanghebbende de verschuldigde LB, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ over het tijdvak december 2023 gedeeltelijk niet tijdig heeft betaald.
4.6
In artikel 19, lid 1 ALL is bepaald dat indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete van ten hoogste NAf 10.000 kan opleggen. Ingevolge artikel 19, lid 2 ALL legt de Inspecteur bij (gedeeltelijk) niet betalen de boete gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag op. Anders dan belanghebbende heeft gesteld leidt artikel 19, lid 2 ALL er niet toe dat er bij te late betaling geen boete kan worden opgelegd indien geen naheffingsaanslag (meer) kan worden vastgesteld. De boete vormt immers geen onderdeel van de naheffingsaanslag, maar betreft een zelfstandige voor bezwaar vatbare beschikking (zie artikel 23, lid 1 ALL).
4.7
De Minister van Financiën (hierna: de Minister) heeft in de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (P.B. 2013-63; hierna: Regeling) beleidsregels vastgesteld ter uitvoering van de in de ALL opgenomen boetebepalingen.
4.8
Ingevolge artikel 4.6, lid 1 aanhef en letter a van de Regeling legt de Inspecteur bij niet (tijdige) betaling van de op aangifte verschuldigde belasting in geval van een eerste verzuim “
een boete op van 5% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 50,-- en een maximum van NAf 2.500,--".
4.9
In het onderhavige geval zijn er geen naheffingsaanslagen opgelegd (zie 4.4), . Gelet op de tekst van artikel 4.6, lid 1 aanhef en letter a van de Regeling is het Gerecht van oordeel dat de verzuimboetes daarom dienen te worden verminderd naar het minimum van NAf 50 voor de LB en premies AOV/AWW en AVBZ. De boete van NAf 50 voor de premie BVZ dient te worden gehandhaafd. Als de Minister bedoeld had om de boete te berekenen als percentage van de te laat betaalde belasting (overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur) dan had hij dat in de tekst tot uitdrukking moeten brengen. Nu hij dat niet gedaan heeft moet een burger erop kunnen vertrouwen dat de boete beperkt blijft tot 5% van de naheffingsaanslag (of het genoemde minimumbedrag). Dat zou slechts anders kunnen zijn indien toepassing van de letterlijke tekst zou leiden tot een zodanig ongerijmd resultaat dat belanghebbende daar in redelijkheid niet op had mogen en kunnen rekenen. Van die situatie is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. [1]
4.1
In dat geval stelt de Inspecteur subsidiair dat belanghebbende in eerste instantie bewust onjuiste aangiften heeft ingediend en dat zij vervolgens op 9 februari 2024 de juiste gegevens heeft verstrekt. Hierdoor is volgens de Inspecteur sprake van een vrijwillige inkeer in de zin van artikel 26 ALL, op grond waarvan een verzuimboete van 15% van de te laat betaalde belasting en premies opgelegd had kunnen worden. De opgelegde verzuimboetes zijn dan ook eerder tot te lage dan tot te hoge bedragen opgelegd, aldus de Inspecteur. Het Gerecht overweegt als volgt.
4.11
Artikel 26 ALL luidt:
“Ingeval een belastingplichtige of inhoudingsplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat een of meer ambtenaren van de Belastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt in plaats van een vergrijpboete een verzuimboete opgelegd van ten hoogste 15%.”
4.12
Het Gerecht stelt voorop dat deze bepaling, gelet op de verwijzing naar “de inhoudingsplichtige” niet alleen ziet op aanslagbelastingen [2] maar ook op aangiftebelastingen en dat de bepaling een tegemoetkoming biedt bij vrijwillige inkeer in situaties waarbij belanghebbende grove schuld of opzet verweten wordt.
4.13
Ingevolge artikel 23, lid 2 ALL stelt de Inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige, uiterlijk bij de boetebeschikking, in kennis van de gronden waarop de oplegging van de boete berust. De Inspecteur moet dus uiterlijk bij het opleggen van de boete meedelen waarvan de belanghebbende wordt beschuldigd en waarom de boete wordt opgelegd. In het onderhavige geval is bij de boetebeschikkingen uitsluitend vermeld dat de verzuimboetes worden opgelegd omdat de verschuldigde belasting en premies niet of niet tijdig zijn betaald. Daarbij is niets vermeld over de aanwezigheid van opzet of grove schuld. Die grond ontbreekt dus bij het opleggen van de boetes en het gevolg daarvan is dat, gelet op artikel 23, lid 2 ALL, die gedraging ook in een later stadium niet meer aan belanghebbende verweten kan worden. Dat betekent dat artikel 26 ALL hier niet toegepast kan worden. Het Gerecht verwerpt het subsidiaire standpunt van de Inspecteur.
4.14
Ten overvloede merkt het Gerecht op dat de Inspecteur, op wie de verzwaarde bewijslast rust, wel heeft gesteld dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften heeft gedaan, maar dat in het geheel niet heeft onderbouwd, laat staan overtuigend aangetoond. Dat betekent dat, los van hetgeen in 4.13 is overwogen, ook om die reden artikel 26 ALL niet toegepast zou kunnen worden.
4.15
Get op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de verzuimboetes voor de LB en premies AOV/AWW en AVBZ in principe vastgesteld te worden op NAf 50 en dient de verzuimboete voor de premie BVZ van NAf 50 te worden gehandhaafd. Dat is slechts anders indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Van AVAS is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig wordt betaald. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. Het Gerecht acht een afzonderlijke boete van NAf 50 voor de LB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ niet te hoog.

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHTEN

Kosten beroepsfase

5.1
Het Gerecht ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het beroep.
5.2
Ingevolge artikel 15, lid 1, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.4
Het Gerecht stelt voorop dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Dit betekent dat voor de vergoeding van de proceskosten deze zaken als één zaak worden beschouwd (artikel 3, lid 1 van het Besluit).
5.5
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 2.100 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700, wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van vier of meer samenhangende zaken).
Griffierecht
5.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht
  • verklaart de beroepen gegrond met uitzondering van het beroep tegen de verzuimboete premie BVZ;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar met uitzondering van de uitspraak met betrekking tot de verzuimboete premie BVZ;
  • vermindert de verzuimboetes tot de volgende bedragen: NAf 50 (LB), NAf 50 (premies AOV/AWW), NAf 50 (premie AVBZ);
  • verklaart het beroep met betrekking tot de verzuimboete BVZ ongegrond;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van Cg 2.100;
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 7 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.Vgl. GEA Curaçao 21 november 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:168 en GHvJ van Aruba, Curaçao,
2.Zoals de Nederlandse bepaling inzake vrijwillige inkeer (artikel 67n AWR).