Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen en boetes over 2018, maar diende dit pas in na de wettelijke termijn van twee maanden. Hij stelde dat de aanslagen niet tijdig waren bekendgemaakt omdat deze naar een oud adres waren gestuurd, terwijl hij pas later kennis had genomen via een aanmaning.
Het Gerecht oordeelde dat de onjuiste adressering niet aan de Inspecteur te wijten was, maar aan het feit dat belanghebbende zijn adreswijziging niet tijdig had doorgegeven zoals vereist in artikel 4, lid 4 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL). Hierdoor was de bezwaartermijn correct aangevangen op de dag na dagtekening van de aanslagen.
Omdat het bezwaarschrift buiten de termijn was ingediend en geen verschoonbare termijnoverschrijding was aangetoond, werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar werd wel gegrond verklaard, waarna het Gerecht de Inspecteur opdroeg alsnog uitspraak op bezwaar te doen. Het betaalde griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.