ECLI:NL:OGEAC:2026:8

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
CUR202502104
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 LvicArt. 7.3 LvicArt. 7.10 LvicArt. 7.11 LvicArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete voor overtreding medewerkingsplicht opgelegd aan Mangusa Supermarket

Mangusa Supermarket B.V. werd door de Fair Trade Authority Curaçao (FTAC) een bestuurlijke boete van 450.000 gulden opgelegd wegens het niet voldoen aan een informatieverzoek in het kader van een onderzoek naar mogelijke prijsafspraken. Na het uitblijven van reactie op het verzoek en rappelbrieven, stelde de FTAC een onderzoek in en legde de boete op. Mangusa Supermarket maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de boetebeschikking.

Het Gerecht beoordeelde de bevoegdheid van de FTAC om de boete op te leggen en het onderzoek te verrichten. Het oordeelde dat de FTAC bevoegd was op grond van de Landsverordening inzake concurrentie (Lvic) en dat er geen sprake was van misbruik van bevoegdheid. De boete was passend en in overeenstemming met het Boetebeleid van de FTAC, mede omdat Mangusa Supermarket geen omzetgegevens verstrekte die tot matiging konden leiden.

De rechtbank verwierp het beroep van Mangusa Supermarket en handhaafde de boete. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Uitkomst: Het beroep van Mangusa Supermarket tegen de boete van 450.000 gulden wegens overtreding van de medewerkingsplicht is ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

MANGUSA SUPERMARKET B.V.,

eiseres,
gevestigd te Curaçao,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
en

de Fair Trade Authority Curaçao,

verweerder,
gemachtigden: mr. R. van den Heuvel en mr. P.H. de Lange (advocaten in Curaçao) en mr. S. Tuinenga (advocaat in Nederland).
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en FTAC genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de FTAC om eiseres een boete van Cg 450.000,- op te leggen voor het overtreden van de verplichting tot medewerking om inlichtingen te verschaffen.
1.1
De FTAC heeft deze boete opgelegd bij beschikking van 13 december 2024 (de boetebeschikking). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 29 mei 2025 heeft de FTAC het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (de bestreden beschikking). Eiseres heeft op 18 juni 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.
1.2
De FTAC heeft op 2 oktober 2025 met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 15 december 2025 ter zitting behandeld. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar directeur [directeur 1], bijgestaan door haar gemachtigde. De FTAC heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker FTAC], zaakbehandelaar bij de FTAC, en zijn gemachtigden mr. P.H. de Lange en mr. S. Tuinenga.
1.4
Het Gerecht heeft ter zitting van 15 december 2025 gelijktijdig drie andere beroepen tegen boetebeslissingen van de FTAC behandeld. Het betreft de zaaknummers CUR202502460, CUR202503709 en CUR202503952.

Beoordeling door het Gerecht

2.1
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. De beroepsgronden over de wettelijke grondslag van de (onderzoeks)bevoegdheid van de FTAC, over misbruik van bevoegdheid en ten aanzien van de hoogte van de boete slagen niet. Het Gerecht ziet geen aanleiding om de hoogte van de boete te matigen.
Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft en dat de FTAC de boete terecht aan eiseres heeft opgelegd.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
De FTAC is in 2022 een onderzoek gestart naar aanleiding van een signaal van de Fundashon pa Konsumido over mogelijke prijsafspraken tussen detailhandelaren over enkele producten van het koffiemerk Café Santo Domingo. Op 1 augustus 2023 heeft de FTAC een schriftelijk informatieverzoek aan twintig detailhandelaren waaronder eiseres gestuurd in het kader van zijn taak om toezicht te houden op de naleving van de voorschriften van de Landsverordening inzake concurrentie (Lvic). De FTAC heeft zich bij het opvragen van informatie gebaseerd op artikel 6.2, eerste lid en tweede lid sub a, van de Lvic in samenhang met artikel 6, vijfde lid, van de Lvic, waarin de verplichting tot medewerking aan het informatieverzoek is neergelegd. Behalve de vragenlijst over de (prijsvaststelling van de) koffieproducten is bij het informatieverzoek ook een bijlage gevoegd met uitleg over de rechten en plichten van de aangeschreven onderneming. In die uitleg is onder meer vermeld dat de onderneming in beginsel verplicht is om mee te werken aan een informatieverzoek en dat het niet meewerken kan leiden tot oplegging van een bestuurlijke boete.
3.2
Omdat een reactie van eiseres op het informatieverzoek uitbleef, heeft de FTAC op 31 augustus 2023 aan eiseres een rappelbrief gestuurd. Eiseres heeft wederom niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Daarop heeft de FTAC op 21 september 2023 een brief aan eiseres gestuurd waarin de gevraagde informatie wordt gevorderd. In beide brieven heeft de FTAC eiseres geattendeerd op de verplichting om mee te werken aan het informatieverzoek en dat het niet meewerken op grond van artikel 7.3 van de Lvic kan worden gesanctioneerd met een bestuurlijke boete.
3.3
Op 21 september 2023 heeft [directeur 2], één van de directeuren van eiseres, telefonisch contact opgenomen met de receptie van de FTAC naar aanleiding van voornoemde op 21 september 2023 verstuurde brief. [directeur 2] heeft haar telefoonnummer achtergelaten toen bleek dat niemand van het behandelend team van de FTAC haar te woord kon staan. De FTAC heeft op 22, 25 en 27 september 2023 diverse malen het telefoonnummer van [directeur 2] gebeld. Op 22 en 27 september werd er niet opgenomen en op 25 september meldde de receptie van eiseres dat de FTAC teruggebeld zou worden, maar er werd niet teruggebeld.
3.4
In een brief van 28 maart 2024 aan eiseres heeft de FTAC aangekondigd dat een onderzoek wordt gestart naar de mogelijke weigering van eiseres om medewerking te verlenen aan het informatieverzoek en dat een rapport op grond van artikel 7.11 van de Lvic zal worden opgesteld.
3.5
In het rapport van 28 juni 2024 heeft de FTAC vastgesteld dat eiseres vermoedelijk de medewerkingsplicht ingevolge artikel 6.2, vijfde lid, van de Lvic heeft overtreden. Verder heeft de FTAC geconcludeerd dat deze overtreding kan worden toegerekend aan eiseres en dat op grond van artikel 7.3 van de Lvic aan eiseres een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. In een begeleidende brief is eiseres in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op het rapport.
3.6
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de FTAC aan eiseres bericht dat er geen zienswijze van eiseres is ontvangen en dat de FTAC overgaat tot het opstellen van een beschikking. Eiseres werd verzocht om gegevens over haar omzet van het jaar 2022 aan de FTAC te verschaffen in verband met het op te stellen advies voor een passende sanctie. Eiseres heeft niet gereageerd op dit verzoek.
3.7
Na de oplegging van de boete op 13 december 2024 heeft eiseres op 22 januari 2025 alsnog voldaan aan het informatieverzoek. Eiseres heeft geen gehoor meer gegeven aan het verzoek om omzetgegevens over te leggen.
Wat heeft de FTAC ten grondslag gelegd aan de boete?
4.1
De FTAC heeft in de boetebeschikking aan eiseres een boete opgelegd op grond van artikel 7.3 van de Lvic. Het verwijt aan eiseres bestaat uit het handelen in strijd met de verplichting van artikel 6.2, vijfde lid, van de Lvic om medewerking te verlenen aan het informatieverzoek van de FTAC. Eiseres heeft niet gereageerd op het informatieverzoek en evenmin op de rappelbrief. Naar aanleiding van de derde brief heeft eiseres wel contact opgenomen met de receptie van de FTAC, maar was zij vervolgens onbereikbaar op het door haar achtergelaten telefoonnummer. Daarmee heeft eiseres de medewerkingsplicht overtreden en deze overtreding kan aan eiseres worden toegerekend. Door te weigeren inlichtingen te verstrekken heeft eiseres de FTAC belemmerd in haar toezichthoudende taak betreffende de naleving van de Lvic.
4.2
De FTAC heeft de hoogte van de boete bepaald op basis van artikel 7.3 van de Lvic in samenhang met paragraaf 4 van het Beleid voor het opleggen van bestuurlijke boeten door de FTAC (Boetebeleid). Een overtreding als bedoeld in artikel 7.3 van de Lvic wordt conform artikel 4.2 van het Boetebeleid bestraft met een basisboete tussen een bandbreedte van Cg 450.000,- en Cg 800.000,-, of tussen 7 promille en 9 promille van de jaaromzet als dat meer is. De FTAC heeft een basisboete van Cg 450.000,- evenredig geacht aan de ernst van de overtreding. Omdat eiseres geen omzetgegevens heeft verstrekt, heeft de FTAC niet kunnen beoordelen of het opleggen van de basisboete in dit geval niet passend is en of daarom aanleiding is voor verhoging of verlaging conform artikel 4.3 van het Boetebeleid. De FTAC heeft daarom besloten om een boete van Cg 450.000,- aan eiseres op te leggen.
4.3
In de bestreden beschikking heeft de FTAC het bezwaar van eiseres over onder meer de hoogte van de boete ongegrond verklaard. Op de hoorzitting in de bezwaarfase is aan eiseres opnieuw gevraagd om gegevens over haar jaaromzet aan de FTAC te verstrekken. Eiseres heeft die gegevens niet verstrekt. Daarom heeft de FTAC geen aanleiding gezien om de hoogte van de boete aan te passen. Nu verder door oplegging van de boete het voortbestaan van eiseres niet in gevaar komt, handhaaft de FTAC de boete van Cg 450.000,-.
Wat is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een boete? En is de FTAC bevoegd om een onderzoek te verrichten naar een mogelijke overtreding van de medewerkingsverplichting?
5. Het Gerecht buigt zich ambtshalve over de vraag of de FTAC bevoegd is tot het opleggen van een boete. Daarbij zal het Gerecht ook ingaan op de door eiseres aangevoerde beroepsgrond dat de FTAC niet bevoegd is om onderzoek te verrichten naar mogelijke overtreding van de medewerkingsverplichting met als doel een boete op te leggen. Volgens eiseres kan een onderzoek alleen verricht worden om vast te stellen of sprake is van een verboden concurrentiebelemmerende gedraging. Dit blijkt ook uit artikel 7.11 van de Lvic, dat alleen verwijst naar inhoudelijke overtredingen van de Lvic. Eiseres vindt dan ook dat de strafbaarstelling van artikel 7.3 van de Lvic moet wijken voor artikel 7.11, omdat artikel 7.11 niet de mogelijkheid biedt voor het opleggen van een boete. Ter terechtzitting is stilgestaan bij de inmiddels gewijzigde artikelen 7.3 en 7.11 van de Lvic. Eiseres persisteert echter bij haar standpunt.
Het wettelijk kader
5.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn voor de beoordeling van belang.
In artikel 1.1. van de Lvic wordt onder s. onderzoek gedefinieerd als handelingen die worden verricht met het oog op de vaststelling dat al dan niet een overtreding is begaan van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening.
Artikel 6.2, eerste lid, van de Lvic bepaalt kort gezegd dat met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Lvic dat is opgedragen aan de FTAC, belast zijn de daartoe bij beschikking door de FTAC aangewezen personeelsleden van het bureau, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.
Artikel 6.2, tweede lid sub a, van de Lvic bepaalt dat de krachtens het eerste lid aangewezen personen, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd zijn alle inlichtingen te vragen.
Artikel 6.2, vijfde lid, van de Lvic bevat de zogeheten medewerkingsplicht: een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
In artikel 7.3 van de Lvic (oud) staat dat de FTAC degene die jegens de in artikel 6.2, eerste lid, bedoelde personen in strijd handelt met artikel 6.4, eerste lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste Cg 1 miljoen of, indien het een onderneming of ondernemingsvereniging betreft en indien dat meer is, ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken.
Artikel 7.11, eerste lid, van de Lvic (oud) schrijft voor dat de FTAC een rapport doet opmaken indien hij na afloop van het onderzoek een redelijk vermoeden heeft dat een overtreding als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, 4.1, eerste lid, 4.2, eerste lid, of 4.4, eerste lid, is begaan en dat daarvoor een bestuurlijke boete dient te worden opgelegd.
Bij Landsverordening van 5 december 2024 [1] heeft de wetgever (onder meer) de artikelen 7.3 en 7.11 van de Lvic gewijzigd.
In artikel 7.3 van de Lvic is de verwijzing naar artikel 6.4, eerste lid, vervangen door de verwijzing naar artikel 6.2, vijfde lid.
In artikel 7.11 is overtreding van handelen in strijd met de medewerkingsverplichting van artikel 6.2, vijfde lid, toegevoegd.
De wettelijke grondslag voor oplegging van een boete
5.2
Het Hof heeft in een uitspraak van 12 juni 2024 [2] geoordeeld dat artikel 7.3 van de Lvic de wettelijke grondslag biedt voor het opleggen van een boete bij handelen in strijd met de medewerkingsverplichting uit artikel 6.2, vijfde lid, van de Lvic. In artikel 7.3 werd destijds niet verwezen naar artikel 6.2, vijfde lid, maar naar artikel 6.4, eerste lid. Het Hof heeft deze onjuiste verwijzing verklaard. Het Hof heeft gewezen op de memorie van toelichting bij artikel 7.3 waaruit blijkt dat de bedoeling van de wetgever onmiskenbaar is geweest het beboetbaar maken van het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting. Het Hof heeft toegevoegd dat in een situatie waarin de wetstekst niet klip en klaar is over de verbodsnorm, het voor degene die wordt beboet duidelijk moet zijn geweest dat hij in geval van een bepaald handelen of nalaten een beboetbare overtreding zou begaan.
5.3
Het inmiddels gewijzigde artikel 7.3 van de Lvic was ten tijde van de onderhavige overtreding nog niet van kracht. Daarom baseert het Gerecht zich voor de beoordeling van de bevoegdheid op de tekst van de Lvic zoals die gold ten tijde van de overtreding en het Gerecht betrekt daarbij de genoemde uitspraak van het Hof. Toegepast op de onderhavige zaak is het Gerecht van oordeel dat de FTAC op grond van artikel 7.3 van de Lvic bevoegd was de boete op te leggen. Het Gerecht betrekt daarbij dat de FTAC in de drie verstuurde brieven aan eiseres voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij verplicht is mee te werken aan het informatieverzoek en dat het niet meewerken kan leiden tot oplegging van een boete.
De bevoegdheid om onderzoek te verrichten
5.4
Ook in artikel 7.11 van de Lvic (oud) werd niet verwezen naar de overtreding van handelen in strijd met de medewerkingsverplichting van artikel 6.2, vijfde lid. In de gewijzigde Lvic is overtreding van handelen in strijd met de medewerkingsverplichting van artikel 6.2, vijfde lid aan artikel 7.11 toegevoegd.
5.5
Het Gerecht is van oordeel dat er ook bij dit artikel sprake is geweest van een kennelijke verschrijving of omissie van de wetgever. Dit volgt alleen al uit de definitie in artikel 1.1 van de Lvic waarin staat dat onderzoek betrekking kan hebben op alle overtredingen van of krachtens de Lvic. Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting op artikel 7.11 dat de wetgever met de rapportfase heeft beoogd de betrokken onderneming of betrokken persoon in kennis te stellen van de bevindingen in de onderzoeksfase, toegang te geven tot het dossier en de mogelijkheid te bieden een zienswijze op het rapport te geven. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om deze processuele waarborgen aan de overtreder van de medewerkingsplicht van artikel 6.2, vijfde lid, te onthouden. Het Gerecht concludeert dat de FTAC ten tijde van de overtreding op grond van artikel 7.11 van de Lvic bevoegd was om onderzoek te verrichten naar mogelijk handelen in strijd met de medewerkingsplicht en daarover te rapporteren.
Heeft de FTAC misbruik gemaakt van haar onderzoeksbevoegdheid?
6. Eiseres stelt in het verlengde van het voorgaande dat de FTAC misbruik heeft gemaakt van zijn onderzoeksbevoegdheid. Er was geen noodzaak om onderzoek te verrichten, omdat het resultaat van tevoren al vaststond. Het was immers al duidelijk dat eiseres niet aan het informatieverzoek had voldaan. Ook was het onderzoeken van mogelijke prijsafspraken een gepasseerd station, omdat blijkens de reactie van de andere 15 detailhandelaren geen sprake was van prijsafspraken. Het was de FTAC echter te doen om eiseres een boete op te leggen en daarom is een onderzoek naar mogelijke weigering van medewerking geforceerd, aldus eiseres.
6.1
Zoals het Gerecht hiervoor in 5.5 al heeft geoordeeld was de FTAC bevoegd om onderzoek te verrichten naar mogelijke overtreding van de medewerkingsplicht. Het enkele feit dat op voorhand al duidelijk was dat eiseres niet aan het informatieverzoek had voldaan betekent niet dat de FTAC geen onderzoek meer mag of moet doen. Zoals hiervoor in 5.5. is uitgelegd heeft de wetgever met het onderzoek en het daarover rapporteren beoogd om de procedure ter voorbereiding van een mogelijk sanctiebesluit zorgvuldig in te richten. Deze processuele waarborgen zijn wettelijk niet beperkt en gelden dus ook indien de feiten die wijzen op een mogelijke overtreding voorafgaand aan een onderzoek al grotendeels duidelijk zijn. Verder overweegt het Gerecht dat de Lvic aan de FTAC een zelfstandige bevoegdheid geeft om onderzoek te doen naar mogelijke overtreding van de medewerkingsplicht, los van de uitkomst van een onderliggend onderzoek naar -in dit geval- mogelijke prijsafspraken. De FTAC heeft vooropgesteld dat de aanname van eiseres dat het vermoeden van prijsafspraken al was ontkracht niet klopt en toegelicht dat de beantwoording van het informatieverzoek door eiseres in het kader van het onderzoek naar prijsafspraken nog steeds relevant was. Het Gerecht is van oordeel dat de FTAC zijn bevoegdheden opportuun heeft ingezet, daarvan op correcte en evenredige wijze gebruik heeft gemaakt en deze inzet deugdelijk heeft gemotiveerd. De conclusie van eiseres dat de FTAC erop uit was om aan eiseres een boete op te leggen kan het Gerecht dan ook niet volgen. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd en een dergelijke vorm van misbruik van bevoegdheid blijkt ook niet uit het dossier. Het betoog slaagt niet.
Wat vindt het Gerecht van de hoogte van de boete?
7. Eiseres voert allereerst aan dat de FTAC heeft gehandeld in strijd met het subsidiariteitsbeginsel door direct over te gaan tot oplegging van een boete en niet te opteren voor een minder ingrijpende maatregel zoals een bindende aanwijzing of een last onder dwangsom. Verder vindt eiseres de (hoogte van de) boete disproportioneel gelet op de geringe ernst van de overtreding en het feit dat het vermoeden van mogelijke prijsafspraken op grond waarvan het informatieverzoek was gedaan al was ontkracht. Een procedurele overtreding zoals de onderhavige zou minder zwaar bestraft moeten worden dan een inhoudelijke overtreding van de Lvic. Ook speelt volgens eiseres een rol dat de FTAC bij haar niet bekend was. Eiseres vindt een boete van Cg 500,- tot Cg 1.000,- meer passend.
7.1
Het Gerecht is van oordeel dat voor zover eiseres een beroep doet op het subsidiariteitsbeginsel dit niet opgaat nu artikel 7.3 van de Lvic op het overtreden van de medewerkingsplicht slechts de bestuurlijke sanctie van een boete vermeldt. Voor het opleggen van een minder ingrijpende sanctie ontbreekt bij deze overtreding dus een wettelijke grondslag.
7.2
Het Gerecht stelt voorop dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid toetst of een opgelegde boete evenredig is met de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden van het concrete geval.
7.2.1
Dit evenredigheidsbeginsel is neergelegd in artikel 7.10 van de Lvic, dat volgens de memorie van toelichting van de Lvic is afgeleid van artikel 5:46, tweede lid, van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht en voortvloeit uit artikel 6 EVRM Pro.
Artikel 7.10 van de Lvic schrijft voor dat de FTAC de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze kan worden verweten aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend. De FTAC houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
In de memorie van toelichting bij artikel 7.1 van de Lvic staat dat bij iedere boetebeschikking afgewogen moet worden hoe hoog de boete in dat concrete geval moet zijn. Daarbij moet in ieder geval rekening gehouden worden met de ernst en de duur van de overtreding. Afhankelijk van het geval kunnen ook andere factoren een rol spelen, zoals mogelijke recidive, de bereidheid van de betrokken ondernemer om mee te werken aan het beëindigen van de overtreding en het behaalde voordeel. Hoewel de financiële positie van de onderneming in beginsel geen rol speelt bij vaststelling van de hoogte van de boete, moet het anderzijds niet zo zijn dat een boete een faillissement van de onderneming waarschijnlijk zou maken.
7.2.2
De FTAC heeft de voorschriften van de Lvic nader uitgewerkt in zijn Boetebeleid. In het beleid is onderscheid gemaakt tussen inhoudelijke overtredingen van de Lvic (paragraaf 3) en procedurele overtredingen (paragraaf 4). Volgens de artikelen 4.1 en 4.2 van het Boetebeleid wordt overtreding van artikel 7.3 van de Lvic onder categorie II bestraft met een basisboete tussen een bandbreedte van Cg 450.000,- of 7 promille (0,7%) van de jaaromzet als dat meer is, en Cg 800.000,-, of 9 promille (0,9%) van de jaaromzet als dat meer is. Artikel 4.3 van het Boetebeleid biedt de mogelijkheid om van toepassing zijnde bandbreedtes met maximaal 20% te verhogen of te verlagen, indien toepassing van artikel 4.2 geen passende basisboete toelaat. In paragraaf 6 van het Boetebeleid worden tot slot boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden genoemd.
7.3
Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht is van oordeel dat eiseres de medewerkingsplicht heeft geschonden en daarmee op grond van artikel 7.3 van de Lvic een beboetbare overtreding heeft begaan. Het Gerecht is verder van oordeel dat de FTAC de hoogte van de boete heeft bepaald in overeenstemming met de voorschriften van de Lvic en het Boetebeleid.
7.3.1
Het Gerecht volgt de FTAC in zijn afwegingen over de ernst van de overtreding. Het opvragen van inlichtingen is een belangrijk instrument voor de FTAC bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taken. Zonder medewerking zou de opsporing van bijvoorbeeld een kartel bemoeilijkt of verhinderd kunnen worden. Wel is van belang dat het onderscheid tussen een procedurele overtreding en een inhoudelijke overtreding bij het opleggen van een sanctie en het bepalen van de hoogte daarvan wordt meegewogen. Met dit onderscheid is in het Boetebeleid en bij de toepassing in dit concrete geval rekening gehouden.
Het Gerecht merkt daarbij ter nuancering op dat overtreding van de medewerkingsplicht onder verschillende omstandigheden en in vele vormen kan plaatsvinden en dat de aard van de overtreding van invloed kan zijn op de ernst van de overtreding. In het onderhavige geval is het informatieverzoek gedaan in het kader van een onderzoek naar een mogelijke door eiseres begane overtreding van de Lvic, namelijk het maken van prijsafspraken over koffieproducten. Het niet meewerken aan een dergelijk informatieverzoek is naar het oordeel van het Gerecht ernstiger dan bijvoorbeeld het niet meewerken aan een informatieverzoek dat niet berust op een concreet vermoeden van een materiële overtreding van de Lvic. Dit laatste doet zich voor in twee van de andere FTAC-zaken waarin het Gerecht heden uitspraak doet. In die twee zaken (CUR202503709 en CUR202503952) werden in het informatieverzoek in het kader van een marktonderzoek vragen gesteld over de mate van concurrentie tussen supermarkten op Curaçao. [3]
7.3.2.
De FTAC is bij het bepalen van de hoogte van de basisboete uitgegaan van de ondergrens van de in artikel 4.2 van het Boetebeleid voorgeschreven bandbreedte. Het Gerecht is met de FTAC van oordeel dat in dit geval vaststelling van de basisboete op Cg 450.000,- passend is bij de ernst van de overtreding en dat de omstandigheden van het concrete geval geen aanleiding geven om de boete te matigen.
Eiseres heeft nagelaten omzetcijfers te verschaffen, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. De FTAC heeft getoetst of de hoogte van de boete zou kunnen leiden tot een faillissement van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase verklaard dat een faillissement niet dreigt als gevolg van de boete.
In het verweerschrift heeft de FTAC nog toegevoegd dat het feit dat eiseres uiteindelijk wel aan het informatieverzoek heeft voldaan niet leidt tot de boeteverlagende omstandigheid van artikel 6.3 van het Boetebeleid. Eiseres heeft de informatie pas gegeven na de boetebeschikking, bijna anderhalf jaar na het eerste verzoek. Dat duidt niet op verdergaande medewerking dan wettelijk is vereist, zoals genoemd in artikel 6.3.
7.3.3
De beroepsgronden die eiseres aanvoert tegen de hoogte van de boete slagen niet.
Voor zover eiser stelt dat een ontkrachting van het vermoeden van prijsafspraken een matigende werking moet hebben op de hoogte van de boete of van invloed is op de verwijtbaarheid, volgt het Gerecht deze stelling niet. Nog daargelaten dat door de FTAC is betwist dat van een ontkrachting van het vermoeden van prijsafspraken sprake was, ziet het Gerecht niet in waarom een bepaalde stand van zaken in een onderzoek het overtreden van de medewerkingsplicht minder ernstig maakt of zelfs teniet doet. Het vermoeden van prijsafspraken vormde de aanleiding voor een onderzoek van de FTAC dat vervolgens leidde tot een informatieverzoek. Het overtreden van de verplichting om informatie te verschaffen vormt een overtreding op zichzelf, los van de stand van zaken van het onderliggend onderzoek.
Naar het oordeel van het Gerecht kan ook onbekendheid met de FTAC niet van invloed zijn op de mate waarin de overtreding aan eiseres kan worden verweten. In beginsel mag van een supermarkt als eiseres verwacht worden dat zij zich op de hoogte stelt van de op de branche van toepassing zijnde regelgeving. Aan eiseres zijn drie brieven gestuurd met daarin informatie over de FTAC en uitleg over het verzoek en de mogelijke consequenties van het niet meewerken. In de brieven is verwezen naar de website van de FTAC en zijn contactgegevens genoemd voor het geval eiseres vragen heeft. Onder deze omstandigheden heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar geen of een verminderd verwijt kan worden gemaakt van de overtreding.
7.3.4
Er doen zich volgens het Gerecht overigens geen boetematigende omstandigheden voor. Ook in de beroepsfase heeft eiseres geen omzetgegevens overgelegd noch andere informatie gegeven die inzicht geeft in haar financiële draagkracht. Het Gerecht kan daarom bij het bepalen van de hoogte van de boete geen rekening houden met de financiële positie van eiseres.
Het Gerecht acht de door FTAC aan eiseres opgelegde boete van Cg 450.000,- passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

8. Omdat de beroepsgronden van eiseres tegen de bestreden beschikking niet slagen, is haar beroep ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking op bezwaar en de oorspronkelijke boetebeschikking in stand blijven.
9. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht:
-
verklaarthet beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Voetnoten

1.P.B. 2024, no. 148
2.Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ) 12 juni 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:78
3.Vergelijk Rechtbank Rotterdan 2 juni 2025 ECLI:NL:RBROT:2025:10559 r.o.11.4