ECLI:NL:OGEAC:2026:82

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
CUR202600135 tot en met CUR202600140
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 2 ALLArt. 31 lid 1 ALLArt. 31 lid 2 ALLArt. 10 lid 1 ALLArt. 15 lid 1 LBB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaren inkomstenbelasting en premies

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premies voor de jaren 2019 en 2021. De Inspecteur heeft echter niet binnen de wettelijke termijn uitspraak gedaan op deze bezwaren. Belanghebbende stelde daarom tijdig beroep in wegens het niet tijdig doen van uitspraak.

Tijdens de zitting verscheen niemand namens de Inspecteur, die telefonisch toegaf de zaak te zijn vergeten. Het Gerecht oordeelde dat dit zeer ernstig onzorgvuldig was en dat de Inspecteur de bezwaarprocedure heeft gefrustreerd. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en werd de Inspecteur opgedragen alsnog uitspraak te doen.

Daarnaast veroordeelde het Gerecht de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, verhoogd vanwege de opeenstapeling van vormverzuimen, en werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter Pijnenburg op 12 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt gegrond verklaard en de Inspecteur wordt opgedragen uiterlijk 11 september 2026 uitspraak te doen op de bezwaren.

Uitspraak

Uitspraak van 12 juni 2026
BBZ nrs. CUR202600135 tot en met CUR202600140
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende zijn met dagtekening 30 september 2022 aanslagen inkomstenbelasting (IB) en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ voor het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 72.636 en een premie-inkomen van NAf 75.549 (premies AOV/AWW en AVBZ) en NAf 78.049 (premie BVZ).
1.2
Aan belanghebbende zijn met dagtekening 29 februari 2024 aanslagen IB en premie AVBZ voor het jaar 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 49.153 en een premie-inkomen van NAf 52.066.
1.3
Belanghebbende heeft op 7 augustus 2024 tegen de aanslagen genoemd in 1.1 pro forma bezwaar gemaakt. Op 17 september 2024 heeft belanghebbende dit bezwaar gemotiveerd. Belanghebbende heeft op 29 mei 2024 tegen de aanslagen genoemd in 1.2 bezwaar gemaakt.
1.5
Belanghebbende heeft op 14 januari 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Cg 50.
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur is, zonder voorafgaande berichtgeving, niemand verschenen. Het Gerecht heeft nadat is gebleken dat er namens de Inspecteur niemand ter zitting is verschenen telefonisch contact opgenomen met [B] van de Belastingdienst. Zij gaf aan dat degene die het beroep in behandeling heeft met verlof is. Vervolgens heeft [B] contact gelegd met degene die haar zou waarnemen. De desbetreffende Inspecteur heeft vervolgens telefonisch aan het Gerecht aangegeven de beroepszaak “vergeten” te zijn.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Het (pro forma) bezwaarschrift tegen de voor het jaar 2019 opgelegde aanslagen is op 7 augustus 2024 en het bezwaarschrift tegen de voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen is op 29 mei 2024 door de Inspecteur ontvangen.
2.2
Ingevolge artikel 30, lid 2, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 7 mei 2025 (2019) en 29 februari 2025 (2021), een uitspraak heeft gedaan.
2.3
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 7 mei 2026 en 29 februari 2026, beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
2.4
Belanghebbende heeft op 14 januari 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Dit beroep is tijdig ingesteld.
2.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op de bezwaren genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard.
2.6
In dat geval kan het Gerecht de Inspecteur verzoeken alsnog een uitspraak op bezwaar te doen (artikel 31, lid 2 ALL). Het Gerecht ziet daartoe in deze situatie aanleiding nu er van de Inspecteur geen verweerschrift is ontvangen en de Inspecteur evenmin ter zitting is verschenen.
2.7
Ingevolge artikel 31, lid 2, ALL draagt het Gerecht de Inspecteur op uiterlijk 11 september 2026 alsnog uitspraak te doen op de bezwaren tegen de aanslagen IB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 en de aanslagen IB en premie AVBZ 2021.
2.8
Het Gerecht wenst vervolgens nog even stil te staan bij de gang van zaken rondom de behandeling van deze zaak door de Inspecteur. De afwezigheid van de Inspecteur ter zitting, omdat deze “vergeten is” aldaar te verschijnen is voor het Gerecht geen aanleiding geweest om de zaak aan te houden, temeer niet nu de gemachtigde van belanghebbende enkele dagen voor de zitting nog contact heeft gehad met de Inspecteur over onder andere de aanstaande behandeling van belanghebbendes zaak op zitting.
Het Gerecht acht het niet verschijnen van de Inspecteur, omdat hij de zaak is vergeten, bijzonder kwalijk. Dit klemt temeer, omdat hiermee niet alleen de behandeling van het beroep wordt gefrustreerd, maar ook omdat de Inspecteur tevens de bezwaarprocedure illusoir heeft gemaakt door het bezwaar niet in behandeling te nemen. In deze zaak blijft een belanghebbende achter waarbij voor wat betreft het jaar 2019, in strijd met artikel 10, lid 1 ALL ongemotiveerd van diens aangifte is afgeweken, vervolgens geen uitspraak op bezwaar wordt gedaan voor wat betreft de jaren 2019 en 2021, de Inspecteur verzuimd heeft een verweerschrift in te dienen en de Inspecteur afwezig is bij de behandeling van het beroep. Naar het oordeel van het Gerecht kwalificeert het optreden van de Inspecteur in deze procedure als (zeer) ernstig onzorgvuldig.

3.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

3.1
Het Gerecht ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van beroep wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren (vgl. HR 17 februari 2006, nr. 39602, ECLI:NL:HR:2006:AV1713).
3.2
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.3
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
3.4
In artikel 1 van Pro dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor van 1).
3.5
Normaal gesproken kent het Gerecht voor een beroep niet tijdig beslissen een wegingsfactor van 0,5 toe en zou de proceskostenvergoeding Cg 700 bedragen. In dit geval wijkt het Gerecht, onder toepassing van artikel 2, lid 3 van het Besluit, daarvan af en kent het een vergoeding van Cg 1.400 toe. De bijzondere omstandigheid die daartoe aanleiding vormt zijn opeenstapeling van vormverzuimen door de Inspecteur, vermeld onder 2.8.
3.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 50 aan belanghebbende te vergoeden.

4.DE BESLISSING

Het Gerecht:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
- draagt de Inspecteur op uiterlijk 11 september 2026 alsnog uitspraak te doen op de bezwaren tegen de aanslagen IB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 en de aanslagen IB en premie AVBZ 2021;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Cg 1.400; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 12 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500