ECLI:NL:OGEAC:2026:91

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
CUR202600991
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 1019h Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag op motorfiets na afweging belangen partijen

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van conservatoire beslagen die door gedaagde zijn gelegd op een auto en een motorfiets, alsmede op bankrekeningen en loon. De beslagen zijn gelegd in verband met een geschil over de eigendom van een auto die eiser in termijnen kocht van de dochter van gedaagde.

Eerder heeft het gerecht in een bodemprocedure geoordeeld dat gedaagde niet de eigenaar was van de auto en dat de beslagen onterecht waren gelegd, maar dit vonnis is in hoger beroep. Gedaagde heeft daarop opnieuw beslag gelegd. Het gerecht overweegt dat de afstemmingsregel niet van toepassing is zolang het bodemvonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan, en dat een belangenafweging moet plaatsvinden.

De belangenafweging leidt tot opheffing van het beslag op de motorfiets, omdat eiser zonder eigen vervoer ernstig wordt beperkt in zijn mobiliteit en inkomen. De beslagen op de auto en bankrekeningen blijven gehandhaafd. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het conservatoire beslag op de motorfiets wordt opgeheven, de overige beslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202600991
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
[Eiser],wonend in [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. A.C. Herrera,
tegen
[Gedaagde],
wonend in [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigden: mr. M.F. Murray en mr. S.C.M.E. Hodge.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 25 maart 2026, met producties,
  • de aanvullende producties van [eiser] van 8 april 2026,
  • de producties van [gedaagde] van 8 april 2026,
  • de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waar [eiser] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is niet in persoon verschenen. Hij werd vertegenwoordigd door mr. Hodge.
  • de pleitnotities van de gemachtigden.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
eiser] heeft in 2025 met [gedaagde] dochter [belanghebbende 1] overeenstemming bereikt over de koop door [eiser] van een [auto] voor de prijs van Cg. 60.000. Afgesproken was dat de eigendom aan [eiser] zou worden overgedragen nadat de volledige koopprijs door hem was betaald.
2.2.
De auto is op 24 maart 2025 door [belanghebbende 1] aan [eiser] ter beschikking gesteld.
2.3. [
eiser] heeft in totaal Cg 17.000 betaald, het grootste deel in maandelijkse betalingen van Cg 3.000.
2.4.
Op 19 september 2025 is op verzoek van [gedaagde] revindicatoir beslag op de [auto] gelegd, en verhaalsbeslag op een aan [eiser] in eigendom toebehorende motorfiets. Beide voertuigen zijn door de deurwaarder in bewaring genomen. Ook heeft [gedaagde] op die dag conservatoir derdenbeslag laten leggen onder MCB, RBC en ACU en onder de werkgever van [eiser], het Land Curaçao.
2.5.
Bij vonnis van dit gerecht van 15 december 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:314, heeft het gerecht in conventie de vorderingen van [gedaagde] ter zake van de koopovereenkomst van de [auto] afgewezen. Daartoe heeft het gerecht overwogen dat niet kan worden aangenomen dat [gedaagde], en niet [belanghebbende 1], ten tijde van de verkoop eigenaar van de [auto] was. Ook heeft het gerecht overwogen dat niets erop wijst dat [gedaagde], en niet [belanghebbende 1], [eiser]s contracterende wederpartij was en/of dat [eiser] er niet op mocht vertrouwen dat [belanghebbende 1] bevoegd was de koopovereenkomst aan te gaan. In reconventie heeft het gerecht op vordering van [eiser] de gelegde beslagen opgeheven. Daartoe heeft het gerecht overwogen, dat uit de overwegingen in conventie volgt dat de vordering waarvoor [gedaagde] ten laste van [eiser] beslagen heeft gelegd niet deugdelijk is, en die beslagen onterecht zijn gelegd. Tegen dit vonnis heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld.
2.6.
Op 19, 20 en 23 februari 2026 is op verzoek van [gedaagde] (opnieuw) revindicatoir beslag op de [auto] gelegd, en verhaalsbeslag op een aan [eiser] in eigendom toebehorende motorfiets. Beide voertuigen zijn door de deurwaarder in bewaring genomen. Ook heeft [gedaagde] op die dagen conservatoir derdenbeslag laten leggen onder RBC en ACU en onder de werkgever van [eiser], het Land Curaçao.

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1. [
eiser] vordert dat het gerecht de op 20 en 23 februari 2026 door [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen op de [auto] en de motorfiets [motorfiets] opheft, en teruggave daarvan aan [eiser] beveelt, en dat het gerecht de op 19 en 20 februari 2026 ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen onder RBC, ACU en MCB en het Land Curaçao opheft, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan de vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag.
Het gerecht heeft in het vonnis van 15 december 2025 de vordering van [gedaagde] ter verzekering waarvan het beslag strekt afgewezen, op de grond dat [gedaagde] niet de eigenaar was van de auto. Het aan de voorliggende beslagen ten grondslag liggende beslagrekest gaat opnieuw uit van de stellingen dat [gedaagde] de eigenaar is van de auto. Door deze stellingen in te nemen, en niet te wijzen op een door [eiser] in het geding gebrachte door hem ondertekende koopovereenkomst, heeft [gedaagde] de beslagrechter bovendien onvolledig ingelicht.
3.3. [
gedaagde] voert gemotiveerd verweer, strekkend tot afwijzing van de vordering.

4.De beoordeling

4.1.
Dit kort geding gaat om de vraag of de door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen moeten worden opgeheven. De vordering ter verzekering waarvan de beslagen strekken, strekt tot vergoeding van aan de zijde van [gedaagde] gestelde geleden schade als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst van de [auto] en ter verzekering van de eigenaarsaanspraak van [gedaagde] met betrekking tot de [auto].
4.2.
Het betoog van [eiser] dat de beslagen moeten worden opgeheven, gelet op de beslissing in conventie en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van het gerecht in het vonnis van 15 december 2025, en omdat [gedaagde] de beslagrechter daarover niet heeft ingelicht, begrijpt het gerecht als een beroep op de zogenoemde afstemmingsregel. Deze houdt in dat de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
4.3.
Het gerecht overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is de zogenoemde afstemmingsregel niet van toepassing indien de gevraagde voorziening strekt tot opheffing van een conservatoire maatregel of tot een verbod tot het treffen van een dergelijke maatregel, en de uitspraak van de bodemrechter over de vordering ter verzekering waarvan de conservatoire maatregel strekt, nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. In een zodanig geval dienen de belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden betrokken. Van de rechter kan niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel (Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, herhaald in Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074 en Hoge Raad 4 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599).
4.4.
Voor zover [eiser] heeft beoogd ook een beroep te doen op de afstemmingsregel, waar het gaat om de beslissing in reconventie van het gerecht tot opheffing van de beslagen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, overweegt het gerecht dat [eiser] in dit verband onvoldoende heeft aangevoerd. Dat het gerecht bij het vonnis van 15 december 2025 volgens [eiser] de beslagen heeft opgeheven omdat de vordering waarvoor [gedaagde] ten laste van [eiser] beslagen heeft doen leggen ondeugdelijk is, ligt in het verlengde van de beslissing en de overwegingen en beslissing van het gerecht ten aanzien van die vordering van [gedaagde]. Daarvoor geldt, zoals hiervoor is overwogen, de afstemmingsregel niet. [eiser] heeft niet aangevoerd dat en waarom – op andere gronden – afgestemd moet worden op de beslissing van het gerecht ter zake de opheffing van de beslagen.
4.5.
Dit leidt ertoe, dat het gerecht over dient te gaan tot een belangenafweging, zoals weergegeven onder 4.3. Ten aanzien van de belangen van [gedaagde] bij de gelegde beslagen, geldt volgens dat beoordelingskader dat deze zijn gelegen in het waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering en eigenaarsaanspraak verhaal mogelijk zal zijn. Ten aanzien van de belangen van [eiser], zal het gerecht deze per beslagobject afzonderlijk bij de beoordeling betrekken.
Loonbeslag
4.5.1.
Ten aanzien van het loonbeslag heeft te gelden dat [eiser] wordt beschermd door de beslagvrije voet, waardoor hij in beginsel niet wordt belemmerd om in zijn levensonderhoud te voorzien. [eiser] heeft niet nader toegelicht dat en waarom dat laatste wel het geval zou zijn. Hij heeft ter zitting alleen naar voren gebracht dat het loonbeslag hem belemmert om zich die extra’s te veroorloven, volgens de levensstandaard die hij gewend is. Dit is onvoldoende om aan de belangen van [eiser] een groter gewicht te doen toekomen, dan aan die van [gedaagde], zoals weergegeven onder 4.5.
Bankrekeningen
4.5.2. [
gedaagde] heeft onder verwijzing naar door hem overgelegde beslagexploten en een verklaring van de derde beslagene onweersproken gesteld dat het beslag onder RBC doel heeft getroffen tot een bedrag van Cg 1.095,81, en dat dit de bankrekening betreft die [eiser] heeft geopend om daarop de betalingen voor de [auto] te storten. Ook heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat geen beslag is gelegd onder MCB. Ten aanzien van de ACU-rekening hebben geen van beide partijen stellingen ingenomen. Onder deze omstandigheden, is de stelling van [eiser] dat hij in zijn belangen geschaad wordt door deze derdenbeslagen onvoldoende toegelicht, zodat de belangenafweging, mede gelet op het in 4.3. en 4.5. overwogene, in het voordeel van [gedaagde] dient uit te vallen.
[auto] en motorfiets
4.5.3.
Ter zitting heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij vanwege de op deze voertuigen gelegde beslagen op dit moment geen eigen vervoer heeft. Hij is afhankelijk van het openbaar vervoer of van een lift van anderen. Dat beperkt hem in zijn bewegingsvrijheid, en ook in zijn inkomen. Een aanzienlijk deel van zijn inkomen, krijgt hij voor het doen van overwerk. Dat kan hij niet doen, zonder eigen vervoer. Hij heeft dan ook een groot belang om een vervoermiddel tot zijn beschikking te hebben, waarbij ook de motor geschikt is voor woon-werkverkeer, aldus [eiser]. Daartegenover heeft [gedaagde] gesteld dat de vordering ter verzekering waarvan het revindicatoir beslag op de [auto] strekt, er in de kern op gegrond is dat de [auto] zijn eigendom is, en dat verder gebruik door [eiser] zal leiden tot waardevermindering. Afweging van deze belangen, waaronder ook de oplopende bewaarkosten, leidt het gerecht tot de slotsom dat het belang van [eiser] om over een vervoermiddel te beschikken dusdanig weegt, dat dat moet leiden tot opheffing van het beslag op de motorfiets. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat beide voertuigen volgens [eiser] voldoen voor woon-werkverkeer en dat partijen het in elk geval met elkaar eens zijn dat [eiser] niet de eigenaar is van de [auto].
4.5.4.
Dit alles leidt het gerecht tot de na te melden beslissing. Daarbij neemt het gerecht mede in aanmerking dat de stelling van [eiser] dat [gedaagde] de beslagrechter onjuist heeft voorgelicht feitelijke grondslag mist.
4.6.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, ziet het gerecht aanleiding de proceskosten op na te melden wijze te compenseren.
4.7.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.

5.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
5.1.
heft op het op verzoek van [gedaagde] op 23 februari 2026 gelegde conservatoire beslag op de motorfiets van het merk [motorfiets] en beveelt de teruggave daarvan aan [eiser];
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door B. Wolters, griffier, en in het openbaar uitgesproken.