Verzoeker trad in 2003 in dienst bij verweerder en werd in 2015 op staande voet ontslagen, welk ontslag later werd ingetrokken en gevolgd door een reguliere opzegging. Verzoeker vorderde betaling van overwerk, loon over opzegtermijn, vakantiedagen en een billijke vergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging.
Het gerecht oordeelde dat het ontslag onrechtmatig was omdat verweerder het dienstverband niet volgens dwingendrechtelijke regels had beëindigd. De cessantia-uitkering en loon over de opzegtermijn werden daarom toegewezen, met wettelijke verhogingen en rente. De vordering over overwerk werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en het verjaringverweer werd deels gehonoreerd.
De gevorderde billijke vergoeding werd afgewezen omdat verzoeker onvoldoende schade aannemelijk maakte en hij had berust in de beëindiging. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.