Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
- verzoekschrift met producties d.d. 17 november 2015,
- conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie,
- conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens akte houdende wijziging van eis met producties,
- conclusie van dupliek in reconventie met producties,
- akte houdende uitlating producties.
2.De vaststaande feiten in conventie en in reconventie
“In concreto is het bestuurscollege voornemens de hiervoor aangegeven terreinen en wateren aan te wijzen als havens van algemeen economisch belang en vervolgens de Sint Maarten Harbour Holding Company N.V. daarvoor desgevraagd een algemene concessie, derhalve voor alle havenactiviteiten, te verlenen. De concessie is exclusief. Er kan naast de concessiehouder geen tweede concessiehouder worden aangewezen. Dat zou in strijd zijn met het karakter van een concessie.”Op pagina 5:
“Een concessie vermeldt behalve de havens en terreinen waarvoor zij geldt, ook de havenactiviteiten die aldaar kunnen plaatsvinden. Het voornemen bestaat de te verlenen concessie een algemeen karakter te geven en niet tot bepaalde havenactiviteiten te beperken.”
“de havenfaciliteiten aan en in de Groot Baai, omvattende de vrachthaven, de faciliteiten voor cruiseschepen en de A.C. Wathey Pier te Pointe Blanche, de Captain Hodge Wharf te Philipsburg, alsmede de overige wateren van de Groot Baai en de daarin aan te leggen bouwwerken, met uitzondering van de in particulier beheer zijnde havenfaciliteiten, gelegen tussen de faciliteiten te Pointe Blanche en het strand van de Groot Baai, alsmede een strook van de territoriale zee van Sint Maarten die niet verder strekt dan 200 meter gemeten vanaf de afsluitingslijn voor de Groot Baai.”
“de aanleg van bouwwerken, alsmede het beheer of de exploitatie daarvan geschieden in overeenstemming met de geldende regelgeving en toepasselijke internationale voorschriften.”
gelegen tussen de faciliteiten te Pointe Blanche en het strand van de Groot Baai”, als bedoeld in artikel 1 van Pro de Verordening Havenconcessies.
“to construct a rock revetment (…) located at ……. Blvd. …., Philipsburg Great bay (…)”en om te bouwen op de vier van voormelde zes waterpercelen.
stone jettyaf te breken afgewezen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft dit vonnis bekrachtigd (Ghis 73408 H-162/15). Daarbij heeft het Hof onder andere overwogen dat een bodemprocedure meer geëigend is dan een kort geding procedure.
3.De vorderingen en het verweer in conventie en in reconventie
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
“SMN Holding handhaaft haar stelling dat aan haar een exclusieve concessie is verleend voor het verrichten van havenactiviteiten in het concessiegebied en dat [A] door zonder de concessie te respecteren dezelfde soort activiteiten uit te voeren, onrechtmatig handelt jegens SMN Holding en voorts dat SMN Holding recht en belang heeft dat [A] een einde maakt aan de inbreuken op de subjectieve rechten van SMH Holding. SMH Holding betaalt uiteraard niet voor niets een jaarlijkse concessievergoeding van NAf 5.200.000,= aan het Land Sint Maarten voor de exclusieve concessie in het gebied."
De Holdingwijst op artikel 1 sub a van Pro het Concessiebesluit. [A]’s havenfaciliteiten (“particulier beheer”), destijds bestaande uit een kleine aanlegsteiger en een kleine golfbreker, zijn uitgezonderd, maar dat geldt niet voor de waterpercelen die DM later heeft verkregen. Die liggen in het concessiegebied. Dat zijn dus
“de overige wateren van de Groot Baai”. Daaraan doet niet af dat de bouwwerken op een deel van deze waterpercelen geïntegreerd onderdeel uitmaken van de voor de verlening van de concessie al bestaande marina van [A]; zie de term
“de daarin aan te leggen bouwwerken”. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat [A] een vrijbrief krijgt om het concessiegebied te gaan volbouwen, enkel en alleen omdat zij voorafgaande aan de concessieverlening reeds een marina had. Dat zou een beperking achteraf van de concessie aan de Holding inhouden. Aan een en ander doet niet af dat het Land Sint Maarten voor de bouwwerken een bouwvergunning heeft verstrekt. Zij verwijst naar het Concessiebesluit, de Concessieverordening en de Memorie van Toelichting daarop. Het feit dat het Land Sint Maarten erfpachtrechten aan [A] heeft verleend betekent niet dat de Holding over die waterpercelen niets te zeggen zou hebben. Zij is door het Land Sint Maarten, krachtens een wet in formele zin, als concessionaris aangewezen met bepaalde publiekrechtelijke bevoegdheden die voor het gehele geconcessioneerde gebied gelden en dus ook voor de waterpercelen. Daarvoor is niet nodig dat in de erfpachtsvoorwaarden daarnaar wordt verwezen.
“de in particulier beheer zijnde havenfaciliteiten”omvat dus ook de uitbreidingsplannen waarvoor een bouwvergunning is afgegeven die formele rechtskracht heeft. Dat is de bedoeling die bij de wetgever voorzat en [A] biedt aan dat zo nodig te bewijzen. Dat dit de bedoeling was volgt ook uit diverse uitlatingen van de Minister VROMI.
“overige wateren van de Groot Baai en de daarin aan te leggen bouwwerken”wel. In de Verordening noch in de beide Besluiten is een aanknopingspunt te vinden dat door de eigenaren van de
“in particulier beheer zijnde havenfaciliteiten”na de concessie te plegen gebiedsuitbreidingen niet onder de concessie zouden vallen. De Groot Baai is een haven van algemeen economisch belang en dat is redengevend voor deze territoriale afbakening. Zie ook de onder 2.3. aangehaalde passages uit de Memorie van Toelichting die dit illustreren.
de in particulier beheer zijnde havenfaciliteiten”vallen. Dat standpunt wordt door het Gerecht niet gevolgd omdat dit niet in de Verordening en de Besluiten staat, zoals hiervoor overwogen. De Memorie van Toelichting biedt hiervoor evenmin een aanknopingspunt. Het wettelijke criterium voor de territoriale aanduiding is
“een haven van algemeen belang”; daarin kan geenszins worden gelezen toekomstplannen van een van de eigenaren van de uitgezonderde havens. Evenmin is het relevant wat de Holding voor de concessieverlening van die plannen afwist. Voor de concessieverlening was de Holding immers, uiteraard, nog geen concessiehouder zodat eventuele kennis hierover haar niet deelgenoot is geworden als concessiehouder zodat haar uitlatingen, zwijgen, gedragingen of nalaten voordien niet “meetellen”. Dat “het Land” van de plannen zou afweten, blijkens
“de bedoeling van de wetgever”en de uitlatingen van de Minister VROMI gaat evenmin op. De bedoeling van de wetgever blijkt exclusief uit de Memorie van Toelichting en de wettekst. De bedoeling van de (rechtsvoorganger van de) regering van het Land Sint Maarten blijkt exclusief uit de beide Besluiten. Uit deze stukken blijkt niet dat rekening is gehouden met de toekomstplannen.
“alsmede dat de concessie de zakelijke rechten en de “possession rights” (als bedoeld in artikel 1 van Pro het 1e Protocol van het EVRM) van [A] niet kan aantasten.”
[A]komt neer op het volgende. Zij is eigenaar geworden van de erfpachtsrechten op de (water)percelen. Daarop kan slechts een inbreuk worden gemaakt om redenen van algemeen belang en dat moet bij wet zijn geregeld (artikel 15 lid 1 Staatsregeling Pro). De Verordening Havenconcessies bepaalt niet dat dat de concessiehouder inbreuk kan maken op zakenrechtelijke rechten van derden of deze kan beperken. Na de erfpachtverlening kunnen de concessierechten niet meer aan [A] worden tegengeworpen. Op pagina 40/62 van haar conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie schrijft [A]:
“Voor zover de concessierechten van de Holding zijn aan te merken als subjectieve rechten en voor zover er sprake is van een ‘clash’ tussen die rechten en de zakelijke rechten van [A], geldt dat de later gevestigde rechten van [A] voorgaan boven het eerder gevestigde concessierecht van de Holding. In dat geval geldt derhalve dat [A] zich, na erfpachtverlening (in beginsel) niets hoeft aan te trekken van de concessierechten van de Holding.”
de Holdingkomt er op neer dat zij opmerkt dat de concessie is afgegeven op grond van een formeel wettelijke grondslag. [A] wist dat zij erfpachtrechten zou verwerven in het concessiegebied en is dus gebonden aan de Verordening Havenconcessies en de daarop gebaseerde besluiten. De concessie aan de Holding is in het algemeen belang van Sint Maarten afgegeven zodat ook [A] zich naar de concessie heeft te richten in haar exploitatie van de waterpercelen. Zie artikel 5:1 lid 2 BW Pro.
“De beperking is daarin gelegen dat het gebruik niet in strijd mag zijn met rechten van anderen en de op de wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen moeten in acht worden genomen.”(pagina 34/35 van de conclusie van dupliek in reconventie van de Holding).
[A]wordt verder aangevoerd dat de Holding niet voldoet aan artikel 4 lid 1 van Pro de Verordening Havenconcessies. Dit artikel luidt als volgt:
“Een concessie kan worden verleend aan een in Sint Maarten gevestigde rechtspersoon, die zich blijkens zijn statutaire doelomschrijving richt op de exploitatie van havens en aanverwante faciliteiten en aantoonbaar kan beschikken over de inzet van de benodigde faciliteiten.”De Holding zou niet beschikken over deze faciliteiten omdat de waterpercelen in erfpacht aan [A] toebehoren. Het Gerecht overweegt het volgende. Dit verweer gaat niet op omdat deze uitleg rechtstreeks in strijd zou zijn met de territoriale afbakening die de wetgever en de regering met de Verordening en het Concessiebesluit hebben bedoeld. Voor zover [A] zou betogen dat de Holding dergelijke faciliteiten in het geheel niet bezit dan heeft te gelden dat zij daarover wel de beschikking heeft via haar dochtervennootschappen waarvan onbetwist is dat die wel de nodige (water)percelen en faciliteiten in het concessiegebied tot haar beschikking hebben. De Verordening Havenconcessies verzet zich hier niet tegen.
“De concessie betreft alle havenactiviteiten die, op het moment van verlening van de concessie of in de toekomst, onderdeel uitmaken van het beheer en de exploitatie van de wateren en terreinen die het concessiegebied vormen, waaronder in elk geval de volgende havenactiviteiten:”waarna een opsomming van 9 activiteiten volgt zonder dat daarin de exploitatie van een marina voorkomt. Deze stellingname wordt door de Holding betwist.
“waaronder in elk geval”duidt op een enuntiatieve opsomming. Bovendien is onder g. vermeld:
“het doen of laten aanmeren, ankeren of vertrekken van schepen”.Vast staat dat [A] een marina exploiteert en wil uitbreiden, daarvoor de waterpercelen nodig heeft, zodat deze activiteit ook onder artikel 6 van Pro het Concessiebesluit valt.
“[De Holding] stelt zich op het standpunt dat [A] jegens haar onrechtmatig handelt door inbreuk te maken of haar exclusieve concessie. [A] bouwt een pier voor mega- en giga yachten in het concessiegebied zonder toestemming van de exclusieve concessiehouder, [de Holding]. [De Holding] heeft verder een publieke taak gebaseerd op artikel 7 lid 1 sub Pro 1 van het Besluit Havenconcessies. De publieke taak houdt – kort samengevat – in dat zij (SMH Holding) ervoor dient zorg te dragen dat de aanleg van bouwwerken, alsmede het beheer of de exploitatie daarvan geschieden in overeenstemming met de geldende regelgeving en toepasselijke internationale voorschriften. Door het zonder toestemming bouwen ontneemt [A] [de Holding] de mogelijkheid om deze taken adequaat uit te voeren, hetgeen ook jegens haar onrechtmatig is.”Deze onrechtmatigheid kan aan [A] worden toegerekend omdat zij bouwt in het concessiegebied.
[A]hiertegenover dat nergens in de concessie of in de Verordening Havenconcessies staat dat het verboden is om zonder toestemming van de concessiehouder binnen het concessiegebied een gebouw op te richten. Er is geen sprake van een publiekrechtelijke bevoegdheid die de Holding uitoefent. Privaatrechtelijk heeft de Holding hierover ook niets te zeggen omdat de Holding geen zakenrechtelijke zeggenschap heeft over de waterpercelen. Verder stelt [A] dat de rechten die uit de concessie voortvloeien geen subjectieve rechten zijn en dat de Holding, nu [A] beschikt over een bouwvergunning, dus geen vordering uit onrechtmatige daad kan instellen. Tot slot geldt dat [A] aanvoert dat sommige inbreuken door een concessiehouder moeten worden gedoogd.