Uitspraak
de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,
[het havenbedrijf]
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR,
DE MINISTER VAN TOERISME, ECONOMISCHE ZAKEN, VERVOER EN TELECOMMUNICATIE,
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De vereniging van eigenaren van appartementencomplex 'A' klaagde over het parkeren van auto's op het strand van Great Bay, direct achter hun complex, wat leidde tot overlast en gevaarzetting. Ondanks afspraken en toezeggingen van het Land Sint Maarten om het parkeren te beëindigen, bleef dit voortduren. De vereniging vorderde in kort geding dat het Land en het havenbedrijf het parkeren zouden staken en dwangsommen zouden worden opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de Ministers niet ontvankelijk waren omdat zij geen procesbevoegdheid hadden, maar verklaarde de vereniging wel ontvankelijk tegen het Land en het havenbedrijf. Het Land had geen formeel besluit genomen om het strand als parkeerterrein aan te wijzen, waardoor bezwaar en beroep niet mogelijk waren. Het gebruik van het strand als parkeerplaats was in strijd met het eigen beleid (Beach Policy) en veroorzaakte hinder en overlast.
De rechtbank veroordeelde het Land om binnen 30 dagen het parkeren op het strand te staken, onder meer door het afsluiten van de toegang via Schuine Steeg / Pompsteeg, en legde een dwangsom op van $1000 per dag met een maximum van $1.000.000. Het havenbedrijf werd veroordeeld om maatregelen te treffen om parkeren door haar bezoekers en personeel te voorkomen. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad en de vereniging werd in de proceskosten tegen het Land en het havenbedrijf in het gelijk gesteld.
Uitkomst: Het Land Sint Maarten en het havenbedrijf worden veroordeeld om het parkeren op het strand te staken en dwangsommen te betalen bij niet-naleving.