ECLI:NL:OGEAM:2018:122
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boedelverdeling en verkoopprijsbepaling na beëindiging samenwoning met onverkoopbaar huis
Partijen, voormalige samenwoners sinds 1990, zijn eigenaar van een woning te Sint Maarten die zij gezamenlijk bezitten. Na beëindiging van hun relatie in 2009 is de vrouw in de woning blijven wonen en heeft zij de hypotheeklasten en verzekeringen voldaan, terwijl de man elders woonde. De woning is sinds 2013 te koop gezet, maar een bod van US$ 425.000 werd door de vrouw afgewezen, en hogere biedingen zijn niet gedaan.
De man verzoekt het gerecht om de verkoopprijs te bepalen tussen US$ 425.000 en US$ 445.000 en de vrouw te bevelen mee te werken aan de verdeling. De vrouw stelt dat de woning een hogere marktwaarde heeft (US$ 490.000 volgens een taxatie uit 2016) en weigert een lagere verkoopprijs te accepteren. Zij voert aan dat rekening moet worden gehouden met door haar betaalde hypotheek, verzekeringen en onderhoudskosten.
Het gerecht oordeelt dat geen hoger bod dan US$ 425.000 is gedaan en dat de marktwaarde niet hoger is dan dat bedrag. Daarom wordt het verzoek van de man toegewezen en dat van de vrouw afgewezen. Partijen worden bevolen mee te werken aan de verdeling met inachtneming van de verkoopprijs tussen US$ 425.000 en US$ 445.000, inclusief hypotheekschuld, huurinkomsten en kosten. De vordering tot benoeming van een onzijdig persoon wordt afgewezen zolang de vrouw meewerkt.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het gerecht bepaalt dat het gezamenlijke onroerend goed verkocht mag worden voor een bedrag tussen US$ 425.000 en US$ 445.000 en beveelt partijen mee te werken aan de verdeling.