Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
Bijzonder tarief
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Belanghebbende ontving in 2019 een cessantiavergoeding van zijn werkgever. De Inspecteur stelde in een brief aan de werkgever dat een bijzonder tarief van 24,35% voor de loonbelasting op deze uitkering kon worden toegepast. Bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting werd echter een hoger bijzonder tarief van 30,09% toegepast.
Belanghebbende stelde dat hij op grond van de brief van de Inspecteur mocht vertrouwen op het lagere tarief. De Inspecteur voerde aan dat het bijzondere tarief gedurende het jaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld omdat het mede afhankelijk is van andere inkomensbestanddelen.
Het Gerecht oordeelde dat de brief van 26 maart 2019 aan de werkgever geen vertrouwen wekt dat het bijzondere tarief van 24,35% ook voor de inkomstenbelasting geldt. Het bijzondere tarief wordt immers pas definitief vastgesteld na aangifte, waarbij alle inkomensbestanddelen bekend zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom.
Het Gerecht concludeerde dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter Pijnenburg op 26 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting met het bijzondere tarief van 30,09% bevestigd.