In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2012 en 2013 terecht zijn opgelegd aan belanghebbende. Na een boekenonderzoek bij vennootschappen gelieerd aan belanghebbende stelde de Inspecteur forse correcties voor, waaronder winstuitdelingen die niet in de aangiften waren opgenomen.
Belanghebbende betwistte deze correcties en stelde dat de Inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat de winstuitdelingen daadwerkelijk door hem waren genoten. Het Gerecht oordeelde dat de Inspecteur, ondanks verwijzingen naar gebreken in de aangiften loonbelasting en belasting op bedrijfsomzetten, niet aannemelijk had gemaakt dat de winstuitdelingen toekwamen aan belanghebbende. Het enkele feit van omzetcorrecties bij de vennootschappen rechtvaardigt niet automatisch correcties in de inkomstenbelasting van belanghebbende.
Daarom verklaarde het Gerecht het beroep gegrond en vernietigde de navorderingsaanslagen. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak benadrukt de noodzaak van voldoende bewijs voor belastingcorrecties die leiden tot hogere aanslagen.