ECLI:NL:OGEAM:2026:40

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
100.00429/24
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:123 SrArt. 2:128 SrArt. 2:129 SrArt. 2:354 SrArt. 1:145 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens medeplegen misbruik van functie en omkoping minister VROMI

Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van medeplegen van misbruik van functie en actieve ambtelijke omkoping van de toenmalige minister van het ministerie van VROMI. De zaak betrof vermeende onregelmatigheden bij de afgifte van bouwvergunningen in de periode van december 2016 tot januari 2018.

De verdachte bood de minister geldbedragen, aangeduid als 'mango’s', aan om voorkeursbehandelingen te verkrijgen bij bouwvergunningaanvragen. Uit WhatsApp-berichten en interne documenten bleek dat de minister op verzoek van de verdachte vergunningen vertraagde of versnelde en vertrouwelijke overheidsinformatie deelde. De verdediging voerde onder meer bewijsuitsluiting en vrijspraak aan, maar het Gerecht verwierp deze verweren.

Het Gerecht verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor feiten die vóór 10 mei 2017 plaatsvonden wegens verjaring. Voor de overige feiten werd de verdachte wettig en overtuigend schuldig bevonden. Gelet op de ernst van de feiten, de ondermijning van het vertrouwen in het openbaar bestuur en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 maanden opgelegd, met een strafvermindering van één maand wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 11 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens medeplegen misbruik van functie en actieve ambtelijke omkoping.

Uitspraak

Parketnummer: 100.00429/24
Uitspraak: 26 maart 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [Land],
wonende op het adres [adres] te [Land].

1.Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2025, 13 maart 2025, 2 februari 2026, 3 februari 2026, 4 februari 2026 en 5 februari 2026.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officieren van justitie, mr. LE.M. Wösten en mr. G.P. Sholeh (hierna: het Openbaar Ministerie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met een onherstelbare normschending. Subsidiair heeft zij bewijsuitsluiting bepleit en meer subsidiair dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Tot slot heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Hierna zal door het Gerecht – voor zover relevant – de specifieke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden besproken.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 2 februari 2026 – ten laste gelegd de feiten die zijn opgenomen in
bijlage 1van dit vonnis.
De tenlastelegging zal in de gepubliceerde versie niet worden aangehecht.

3.Formele voorvragen

3.1.
Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid kennisneming zaak
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
3.2.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Is er sprake van een normschending?
De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er sprake is van een schending van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), nu in het dossier – kort en zakelijk weergegeven – de stukken met betrekking tot de huiszoeking (in onderzoek Mitte) bij de verdachte van 11 mei 2022, waarbij een laptop in beslag is genomen, ontbreken. Ondanks het feit dat deze stukken tijdens de inhoudelijke behandeling alsnog aan het dossier zijn toegevoegd, is sprake van een onherstelbare normschending ex artikel 413 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). Subsidiair heeft zij in dit verband bewijsuitsluiting bepleit.
Het Openbaar Ministerie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een normschending. Gelet op artikel 177kc Sv, dat ziet op de overdracht van stukken met betrekking tot toegepaste BOB-middelen uit een ander onderzoek, was het strikt genomen niet noodzakelijk om deze stukken uit onderzoek Mitte aan het dossier van onderzoek Jasmine toe te voegen nu deze niet onder de reikwijdte van dit artikel vallen. Subsidiair heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat, indien het Gerecht wel tot het oordeel komt dat sprake is geweest van een normschending, deze is hersteld door het alsnog overleggen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van de stukken met betrekking tot de huiszoeking.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als een in artikel 413 Sv Pro voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval de normschending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Het Gerecht is met het Openbaar Ministerie van oordeel dat het op basis van artikel 177kc Sv geen vereiste is dat de stukken met betrekking tot de huiszoeking in onderzoek Mitte aan het onderhavige dossier van onderzoek Jasmine worden toegevoegd. Het Gerecht is reeds gelet hierop van oordeel dat geen sprake is van een normschending. Daarnaast is ook geen sprake van handelen in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Het verweer faalt.
Verjaring
Het Gerecht ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of sprake is van verjaring ex artikel 1:145 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Immers, aan de verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van misbruik maken van de functie van [medeverdachte 1] als minister van het ministerie van VROMI. Op dit feit is een gevangenisstraf gesteld van twee jaren en een geldboete van de 4e categorie (artikel 2:354 Sr Pro). Voor dit feit vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na zes jaren.
Op 10 mei 2023 hebben bij de medeverdachte [medeverdachte 1] huiszoekingen plaatsgevonden. Deze huiszoeking betreft een daad van vervolging waardoor de verjaring is gestuit ex artikel 1:147 Sr Pro, ook ten aanzien van anderen dan de al dan niet bekende vervolgde, zoals de verdachte. Het recht tot strafvordering is in dit geval aldus komen te vervallen door verjaring, indien en voor zover deze misdrijven zijn begaan voorafgaand aan 10 mei 2017, dus zes jaar voorafgaand aan de datum van voornoemde huiszoeking.
Het Openbaar Ministerie is daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van de periode voorafgaand aan 10 mei 2017. Vanaf die datum tot aan het einde van de tenlastegelegde periode, te weten 15 januari 2018, is het Openbaar Ministerie met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit dus wel ontvankelijk.
Conclusie ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Het Gerecht komt tot de slotsom dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging, met uitzondering van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde.
3.3.
Schorsing van de vervolging
Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Beoordeling van het bewijs

Het Gerecht verwerpt het verweer van de verdachte betreffende bewijsuitsluiting vanwege een normschending, zoals hierboven onder 3.2. vermeld, om dezelfde redenen als in die overweging gegeven.
4.1.
Inleidende overweging onderzoek Jasmine
In de kern genomen gaat het strafrechtelijk onderzoek Jasmine in de zaak van de verdachte (hierna ook wel aangeduid als: [verdachte]) over vermeende onregelmatigheden bij de afgifte/aanvragen van bouwvergunningen (zaaksdossier 1), tijdens het bewind van de medeverdachte [medeverdachte 1] in diens voormalige hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI. [medeverdachte 1] was in zijn ambtsperiode als minister van het ministerie van VROMI eindverantwoordelijk voor de afgifte van bouwvergunningen die onder het ministerie van VROMI vielen.
De stelling van het Openbaar Ministerie is dat de (demissionair) minister van VROMI, [medeverdachte 1], (tussen)personen/bedrijven, waaronder de verdachte, een voorkeursbehandeling/-positie gaf bij het (uiteindelijk) afgeven van bouwvergunningen. Daarmee heeft de verdachte zich volgens het Openbaar Ministerie schuldig gemaakt aan – kort gezegd – actieve ambtelijke omkoping en het medeplegen van misbruik van functie.
Het Gerecht zal hierna het juridisch kader van actieve ambtelijke omkoping en misbruik van functie bespreken. Vervolgens zullen afzonderlijk de verdenkingen, de feiten en omstandigheden met betrekking tot de tenlastegelegde feiten en de rol van de verdachte worden besproken. Het Gerecht zal vervolgens beoordelen of sprake is geweest van strafbaar handelen door de verdachte.
Tot slot acht het Gerecht het van belang om op te merken dat bij de hierna vast te stellen feiten en de mate van betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, het Gerecht er niet aan ontkomt om mogelijk ook de rol van anderen, die zich (wellicht) later nog dienen te verantwoorden bij de rechter, te duiden. Dit vonnis zal echter geen oordeel inhouden over de strafbaarheid van deze personen.
4.2.
De juridische kaders van de tenlastegelegde feiten
Actieve ambtelijk omkoping (2:128/2:129 Sr)
Van actieve omkoping van een ambtenaar is sprake als iemand, met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn of haar plicht, iets te doen of na te laten, giften of beloften heeft gegeven of gedaan aan die betreffende ambtenaar. Het betreft aldus de beïnvloeding van een ambtelijke handeling. Het doel van omkoping is dan ook dat de ambtenaar iets doet of nalaat, waardoor de omkoper oneerlijke (zakelijke) voordelen heeft.
Ten aanzien van het bestanddeel oogmerk bij een gift (of belofte) voorafgaand aan de tegenprestatie is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Ten aanzien van een gift na een tegenprestatie is een oogmerk niet vereist, wel moet ook hierbij komen vast te staan dat de gift in relatie staat tot die tegenprestatie.
Misbruik van functie (2:354 Sr)
De Hoge Raad heeft over de uitleg van dit artikel als volgt overwogen: ‘Het artikel stelt onder meer strafbaar de ambtenaar die opzettelijk ‘met misbruik van zijn functie’ iets doet of nalaat om enig voordeel (voor zichzelf of een ander) te verkrijgen. Dat brengt met zich dat de betreffende gedraging van de ambtenaar in relatie moet staan tot zijn functie in die zin dat die functie hem tot die gedraging in staat stelt, maar dat de gedraging bij een normale uitoefening van de functie achterwege zou blijven en door de ambtenaar is verricht om enig voordeel te verkrijgen. Ook gedragingen die verband houden met de functie van de ambtenaar die niet als zodanig in een wet zijn verboden of strafbaar gesteld, kunnen dus onder het bereik van artikel 2:354 SrC Pro vallen’ (Hoge Raad 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:12).
Bij het vorenstaande neemt het Gerecht in de onderhavige zaak nog in aanmerking dat het criterium ‘misbruik’ zelf al een tamelijk strenge wederrechtelijkheidstoets impliceert en, voorts dat in de aard van het ministerschap besloten ligt dat al snel sprake kan zijn van overtreding van een geschreven norm. Ministers hebben de ambtseed afgelegd (conform artikel 41 van Pro de Staatsregeling Sint Maarten), inhoudende dat zij in hun betrekking als minister niets zullen doen of nalaten voor een ander en ook van niemand – middellijk of onmiddellijk – een belofte of geschenk zullen aannemen. In de eed wordt eveneens beloofd om het welzijn van Sint Maarten naar vermogen voor te staan. Uit de memorie van toelichting bij Landsverordening integriteitsbevordering ministers volgt verder dat ‘
politieke gezagsdragers bij uitstek een voorbeeldfunctie vervullen’. En: ‘
Hun handelen en nalaten heeft effect op de gehele ambtelijke organisatie en op de samenleving. (...). Wil men het vertrouwen van de burger behouden en versterken, dan is dat alleen mogelijk als de rechtmatigheid, zorgvuldigheid en het fatsoen van de bestuurders buiten kijf staat, met andere woorden als de integriteit van het bestuur is gewaarborgd’.
Tot slot geldt dat vaststaand laakbaar gedrag reeds voldoende kan zijn voor overtreding van art. 2:354 Sr Pro (Hoge Raad 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:12).

5.Overwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 (zaaksdossier 1)

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna genoemde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot een bewezenverklaring. [1] [2]
5.1.
De verweten gedragingen
De medeverdachte [medeverdachte 1] is in december 2016 aangesteld als minister van VROMI en dit blijft hij tot de aanstelling van de nieuwe minister op 18 januari 2018 (vanaf 2 november 2017 was [medeverdachte 1] demissionair). [3] De verdachte was in deze periode werkzaam als ondernemer en werkte eveneens voor het ministerie van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie (hierna: TEATT), als Chef de Kabinet. [4]
De verdachte wordt onder feit 1 – in de kern – verweten dat hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 de minister van VROMI geld (‘mango’s’) heeft aangeboden, teneinde een voorkeursbehandeling te krijgen bij – kort gezegd – (het ontvangen van informatie over de aanvragen van) bouwvergunningen. Dit wordt ook wel actieve ambtelijke omkoping genoemd.
De verdachte wordt onder feit 2 het medeplegen van het misbruiken van de functie de minister van het ministerie van VROMI verweten, inhoudende dat de minister van VROMI (onder andere) in opdracht van de verdachte, beslissingen met betrekking tot de bouwvergunningen [bouwvergunning 1], [bouwvergunning 2], [bouwvergunning 3] alsmede een document genaamd ‘[document 1]’ op enigerlei wijze heeft beïnvloed, waarbij [medeverdachte 1] de verdachte heeft geïnformeerd door onder andere het verstrekken van interne overheidsinformatie, teneinde enig op geld te waarderen voordeel voor hemzelf te verkrijgen, in WhatsApp-gesprekken vermoedelijk aangeduid als ‘mango’s’.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de verdediging met betrekking tot het tenlastegelegde feit onder 1 – kort samengevat – bepleit dat niet bewezen kan worden dat in de gesprekken (versluierd) wordt gesproken over betalingen in geld, in de zin van (elektronische/grafted) ‘mango’s’. In de WhatsApp-gesprekken wordt met ‘mango’s’ de mango als fruitsoort bedoeld. De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de minister van VROMI iets heeft laten doen of nagelaten te doen in ruil voor mango’s. In het verlengde hiervan is de verdediging van mening dat van een voordeel voor de verdachte geen sprake is geweest.
Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging – naast hetgeen hiervoor is bepleit over de (uitleg van) ‘mango’s’ – bepleit dat er geen sprake is van medeplegen, mede gelet op het feit dat verdachtes handelingen niet van voldoende gewicht zijn geweest om van een wezenlijke bijdrage te kunnen spreken.
5.2.
Werkwijze afgeven van bouwvergunningen en verstrekking documenten
Afgifte van een bouwvergunningen
[Getuige 1], destijds [functie 1 binnen de overheid van het Land Sint Maarten], heeft op 11 mei 2022 een getuigenverklaring afgelegd. [5] De procedure bij een vergunningaanvraag was volgens [getuige 1] als volgt binnen het ministerie van VROMI:
aan de hand van een verzoek tot het afgeven van een bouwvergunning werd een advies opgemaakt;
vervolgens werd dit advies achtereenvolgens getekend door de afdelingshoofd, de Secretary General (SG) en daarna de minister;
als het advies positief was, dan werd de bouwvergunning opgemaakt en ondertekend door de minister;
na bewijs van betaling en afgifte door de minister, was [getuige 2] verantwoordelijk voor de daadwerkelijke afgifte van de bouwvergunning. [Getuige 2] was destijds werkzaam als [functie 2 binnen de overheid van het Land Sint Maarten]. [6]
Er was volgens [getuige 1] een periode dat in opdracht van de minister (het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 1]) werd afgeweken van deze procedure. De handtekening van de SG werd bijvoorbeeld overgeslagen. Dit bleef de situatie totdat er een nieuwe minister van VROMI werd aangesteld. Deze wijziging van de procedure wordt bevestigd door [getuige 2] in haar verhoor van 24 maart 2023. [7]
Ook [getuige 2] verklaarde dat de officiële procedure bij een aanvraag bouwvergunning, inhoudende dat een aanvraag via de SG naar de minister werd verstuurd, sinds [medeverdachte 1] als minister werkzaam was niet meer is gevolgd. De SG tekende vanaf dat moment niet meer. Toen [medeverdachte 1] vertrok als minister werd de normale procedure weer gevolgd.
Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan de hiervoor door de getuigen beschreven werkwijze te twijfelen. Sterker nog, deze beschreven werkwijze vindt ook steun in de opmaak van de adviesbladen. Op basis van de opmaak van deze adviesbladen valt naar het oordeel van het Gerecht zonder meer af te leiden dat er meerdere controlemechanismes zijn ingebouwd ten behoeve van een transparante en zorgvuldige behandeling van een aanvraag van een bouwvergunning binnen het ministerie van VROMI.
Verstrekking documenten
Over de inzage/verstrekking van overheidsdocumenten verklaarde [getuige 1] dat na ondertekening van een bouwvergunning door de minister, in- en extern inzage kan worden verkregen. [8] Hiervoor dient een verzoek ingediend te worden. Verder merkte [getuige 1] op dat het niet gebruikelijk is dat er een kopie of een foto van een adviesblad voorafgaand aan het afgeven van de bouwvergunning aan de aanvrager wordt gestuurd. [Getuige 2] verklaart in dit kader dat het adviesblad bij een bouwvergunning voor intern gebruik is (het Gerecht begrijpt: binnen het ministerie van VROMI) en dat een adviesblad niet is bedoeld voor externe personen. [9]
Het Gerecht overweegt in dit kader dat de Landsverordening Openbaarheid van Bestuur (hierna: LOB) op de verspreiding van interne overheidsdocumenten ziet. Een verzoek tot inzage van overheidsdocumenten kan gedaan worden op basis van artikel 3 LOB Pro. Verder staat in artikel 12 LOB Pro – kort en zakelijk weergegeven – beschreven dat informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, niet wordt verstrekt indien sprake is van beleidsopvattingen die herleidbaar zijn tot personen, ongeacht of er een verzoek ex artikel 3 LOB Pro is ingediend. Het Gerecht is van oordeel dat de adviesbladen bij aanvragen van bouwvergunningen onder artikel 12 LOB Pro vallen.
De hiervoor omschreven werkwijze bij de vergunningaanvragen en de bepalingen uit de LOB met betrekking tot het openbaar maken van interne overheidsdocumenten, zullen hierna, voor zover van belang, dan ook als uitgangspunt worden genomen.
5.3.
Feiten en omstandigheden feiten 1 en 2
Het Gerecht stelt allereerst vast dat [medeverdachte 1] als minister van het ministerie van VROMI verantwoordelijk was voor de afgifte van bouwvergunningen. [10] Het Gerecht zal nu afzonderlijk de feiten en omstandigheden bespreken met betrekking tot de tenlastegelegde bouwvergunningen en de mogelijke rol van de verdachte hierbij. Vervolgens zal het Gerecht concluderen of aan de verdachte wel of geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Aanvraag bouwvergunning [betrokkene 1]/[bedrijf 2] ([bouwvergunning 2])
Door [functie 3 binnen de overheid van het Land Sint Maarten], [getuige 3], wordt in een e-mailbericht van 12 februari 2018 melding gemaakt van betalingen van smeergeld aan de voormalig minister van VROMI (het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 1]). [11] Hierbij wordt specifiek de bouwvergunningaanvraag van [bedrijf 2], genoemd.
[Betrokkene 1] is op 27 mei 2022 gehoord als verdachte. [12] [Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij [betrokkene 2] heeft benaderd om hem te helpen bij de aanvraag van de voornoemde bouwvergunning. [Betrokkene 2] bracht [betrokkene 1] in contact met [verdachte].
In de periode van mei 2017 tot en met augustus 2017 zijn meerdere WhatsApp-berichten gestuurd tussen [medeverdachte 1] ([telefoonnummer 1] [13] ) en [verdachte] ([telefoonnummer 2] [14] ) over de aanvraag van bouwvergunningen (
noot Gerecht: alle hierna opgenomen gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn terug te vinden in het betreffende proces-verbaal van bevindingen [15] ). Op 23 juni 2017 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1] dat hij met de man van ‘Pointe Pirouette’ is en dat zij de herziene tekeningen hebben. Diezelfde dag wordt een afspraak gemaakt om met elkaar af te spreken. Op 13 juli 2017 geeft [verdachte] aan dat [medeverdachte 1] de volgende dag een ontmoeting heeft met iemand om 08:30 uur. [Verdachte] geeft aan dat hij ‘hem’ heeft ontmoet en dat hij, [verdachte], heeft aangegeven dat hij ‘hem’ kan helpen bij het behalen van zijn doelen. [Verdachte] geeft [medeverdachte 1] de opdracht om het ‘hem’ niet makkelijk te maken. [Verdachte] voegt hieraan toe: ‘the man desperate’.
Op 17 juli 2017 is het getekende advies van de SG met betrekking tot onderhavige bouwvergunning door [medeverdachte 1] ontvangen van [medeverdachte 2] ([telefoonnummer 3] [16] ;
noot Gerecht: alle hierna opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn terug te vinden in het betreffende proces-verbaal van bevindingen). [17] [Medeverdachte 1] stuurt diezelfde dag een foto van het advies met nummer [bouwvergunning 2] door naar [verdachte]. [18] [Verdachte] geeft in een WhatsApp-bericht van 17 juli 2017 de opdracht aan [medeverdachte 1] om de vergunning, ongeacht of hij deze tekent of niet, bij hem, [medeverdachte 1], te houden (‘Even though you sign hold then’). Hierop reageert [medeverdachte 1] met: ‘Hmmm ok’. [Verdachte] stuurt naar aanleiding van de foto dat alleen [getuige 4] (het Gerecht begrijpt: [functie 4 binnen de overheid van het Land Sint Maarten] [getuige 4]) heeft getekend. [Medeverdachte 1] geeft aan dat de enige mogelijkheid om de vergunning tegen te houden is dat hij, [medeverdachte 1], (nog) niet tekent. Hierop reageert [verdachte] met: ‘Ok’.
Op 25 juli 2017 volgt er een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en ook tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]. [Verdachte] vraagt aan [medeverdachte 1] of er een update is over de ‘missing item’. Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] direct een bericht aan [medeverdachte 2] met de vraag: ‘any updates?’. Het originele adviesblad is kennelijk niet meer terug te vinden en [medeverdachte 2] geeft aan dat er een duplicaat is die door [medeverdachte 1] getekend kan worden. [Medeverdachte 1] geeft [medeverdachte 2] de opdracht om een foto van de vergunning te maken. [Medeverdachte 1] geeft bij [verdachte] aan dat dat hij een duplicaat heeft geregeld en dat hij het zojuist heeft getekend. [Medeverdachte 1] ontvangt op 25 juli 2017 in een WhatsApp-gesprek van [medeverdachte 2] een kopie van de vergunning welke hij heeft ondertekend, dit stuurt hij vervolgens door naar [verdachte]. Ook stuurt [medeverdachte 1] op deze dag naar [verdachte] een duplicaat van het adviesblad behorende bij vergunningaanvraag [bouwvergunning 2]. Het duplicaat van het adviesblad is even daarvoor door [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] gestuurd. Dit duplicaat is op de plaats van de SG ondertekend door [betrokkene 3] (in plaats van [getuige 4] in het originele exemplaar, zoals hiervoor door [verdachte] werd aangegeven). [19]
Op 2 augustus 2017 stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] dat zij een e-mail heeft ontvangen van iemand van de afdeling Vergunningen waarin staat geschreven dat iemand van [bedrijf 2] is geweest met een foto van de vergunning. Dit betrof kennelijk de foto die [medeverdachte 2] eerder aan [medeverdachte 1] heeft verstuurd via WhatsApp. [Medeverdachte 1] moet van [medeverdachte 2] tegen zijn contacten zeggen dat wat [medeverdachte 1] stuurt, niet voor iedereen is bedoeld. [Medeverdachte 1] meldt vervolgens aan [verdachte] dat hij deze foto’s niet door moeten sturen naar zijn, [verdachte]’s, contacten. [Verdachte] reageert met ‘Wtf’ en geeft aan dat hij gaat uitzoeken wat er aan de hand is.
Op 7 augustus 2017 stuurt [medeverdachte 1] naar [verdachte]: ‘We were to go for the mangos this weekend, what happened?’. Hierop reageert [verdachte]: ‘Tomorrow at 10:30 am. He want to send electronic and I said no’.
De verdachte heeft verklaard dat hij zich zijn betrokkenheid bij deze vergunningaanvraag kan herinneren en dat hij (in algemene zin) mensen helpt als zij problemen hebben bij een vergunningaanvraag. [20] De verdachte verklaarde verder dat hij een geldbedrag heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden. De hoogte van de vergoeding voor zijn werkzaamheden hangt af van de complexiteit van de aanvraag en is meestal op basis van ‘no cure no pay’ (het Gerecht begrijpt dat hij alleen een vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden, indien de daadwerkelijke afgifte van een vergunning is gevolgd).
Vergunningaanvraag [bouwvergunning 1]
[Medeverdachte 1] en [verdachte] hebben ook over de bouwvergunning met nummer [bouwvergunning 1] contact. [21]
[Verdachte] stuurt op 20 juni 2017 via WhatsApp een foto van een brief naar [medeverdachte 1] met de titel ‘Receipt confirmation for application for a Building Permit’. [22] De aanvrager betreft [betrokkene 4]. [Verdachte] geeft later die avond aan dat hij [medeverdachte 1] morgen wil zien. Een dag later stuurt [medeverdachte 1] naar [verdachte]: ‘you have some explaining to do!!!!!!. You give 5 grafted mangoes. If the rip just give me a few I will set them up until they get full. Even if they ain’t rip yet’. [Verdachte] wil het er niet over hebben via WhatsApp (‘no texting’). Verder vraagt [verdachte] of de mensen van [medeverdachte 1] bezig zijn geweest met de brief die hij gisteren heeft gestuurd (het Gerecht begrijpt: de brief die [verdachte] stuurde per WhatsApp (D-227)). Dezelfde avond, 21 juni 2017, stuurt [verdachte] twee keer een foto van voornoemde brief. Verder stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1]: ‘Building permite [bouwvergunning 1]’. Op 22 juni 2017 zegt [verdachte] dat de info die hij stuurde genoeg was. [Medeverdachte 1] geeft aan dat eraan gewerkt wordt.
[Medeverdachte 1] stuurt op 22 juni 2017 via WhatsApp een foto van een memo met de titel ‘
[document 1] [23] naar [verdachte] waarin – kort gezegd – staat beschreven dat [medeverdachte 1] het niet eens is met het advies van [getuige 4] met betrekking tot een gewijzigde aanvraag van [bouwvergunning 1], waarbij [medeverdachte 1] later aan [verdachte] meldt: ‘I just told them to issue the permit’.
Op 27 juni 2017 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1]: ‘You check on the last building permit’, hetgeen door [medeverdachte 1] wordt bevestigd.
Op 28 juni 2017 vraagt [verdachte] of het klaar is. [Verdachte] geeft daarbij aan: ‘the first one with the pictures I sent you via WhatsApp’. [Verdachte] stuurt daarbij een foto van de eerder genoemde memo van [medeverdachte 1] (D-228). [Medeverdachte 1] geeft aan dat deze is afgerond, waarop [verdachte] vrijwel direct als volgt reageert: ‘Ok. Some more Mango’s.’ [Medeverdachte 1] reageert hierop: ‘They setting up, should be ready soon but only grafted though’. [verdachte]: ‘Always’.
Op 20 juli 2017 stuurt [medeverdachte 1] een door hem getekende bouwvergunning met nummer [bouwvergunning 1].
De verdachte verklaarde dat hij [betrokkene 4] inderdaad heeft geholpen bij deze vergunningaanvraag en dat hij voor deze werkzaamheden een vergoeding heeft gekregen. [24]
[Bouwvergunning 3]
Op 15 juni 2017 vraagt [verdachte] via WhatsApp aan [medeverdachte 1] of hij de bouwvergunning voor het
[bouwvergunning 3]aan de ‘[aanvragers bouwvergunning 3]’ heeft afgegeven. [25] [Medeverdachte 1] geeft aan dat dat volgens hem nog niet het geval is en dat zij (het Gerecht begrijpt: ‘[aanvragers bouwvergunning 3]’) een brief hebben gekregen waarin staat dat hij, [medeverdachte 1], geen problemen ziet met de hoogte van het gebouw. [Verdachte] geeft aan dat ‘zij’ (het Gerecht begrijpt: [aanvragers bouwvergunning 3]) aan het ‘fucken’ zijn met het [project]. [Verdachte] geeft [medeverdachte 1] vervolgens de volgende opdracht: ‘hold it back until I get the [project] approved’. [Medeverdachte 1] reageert hierop met ‘K’ (het Gerecht begrijpt: oké). [26]
De verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij zich dit gesprek niet kan herinneren.
5.4.
Tussenconclusie
Het Gerecht is van oordeel dat uit de bovenstaande bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] (soms uit eigen beweging en soms in opdracht van) de verdachte op de hoogte hield van de stand van zaken met betrekking tot de aanvraag van de onderhavige bouwvergunningen. Dit deed [medeverdachte 1] onder meer door het via WhatsApp toezenden van interne overheidsdocumenten, waaronder (niet-getekende) adviesbladen, vergunningen en een memo. Ook valt naar het oordeel van het Gerecht uit het voorgaande af te leiden dat [medeverdachte 1] door de verdachte werd geïnstrueerd wanneer hij vaart achter bepaalde aanvragen van bouwvergunningen moest zetten en wanneer juist niet. Het Gerecht leidt tot slot uit de berichten verder af dat de verdachte ook een afspraak heeft ingepland tussen de [medeverdachte 1] en een derde (onbekend gebleven) persoon.
5.5.
Conclusie feiten 1 en 2
Conclusie feit 1 (actieve ambtelijke omkoping)
[Medeverdachte 1] was gedurende voornoemde handelingen ambtenaar in de zin van artikel 1:205 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten in zijn hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI. [27]
[Medeverdachte 1] had in zijn bediening als minister van VROMI een belangrijke positie bij het afgeven van een bouwvergunning. Immers, zonder zijn handtekening werd een vergunning niet afgegeven. [Medeverdachte 1] had derhalve beslissende invloed op het wel of niet afgeven van een bouwvergunning, maar ook op het wel of niet voortvarend laten verlopen van een aanvraagprocedure.
De verdediging heeft in dit verband nog verwezen naar een verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie, waarin – kortgezegd – werd aangegeven dat het ministerie van VROMI onder andere ‘open vrijdag(en)’ organiseerde om de toegankelijkheid van het ministerie van VROMI te verbeteren, meer in het bijzonder dat de minister (lees: [medeverdachte 1]) op een toegankelijke manier te bereiken was voor de burgers van Sint Maarten voor onder andere vragen over de stand van zaken met betrekking tot de aanvragen van bouwvergunningen en aanbestedingsprojecten.
Het Gerecht sluit zich evenwel aan bij het standpunt van het Openbaar Ministerie in dit verband, in die zin dat met het onder de aandacht brengen van een vergunningaanvraag in principe niets mis is, ook niet als dit bij de minister gebeurt, maar dat het problematisch wordt als dit gepaard gaat met giften of beloftes dan wel misbruik van functie.
In dit licht geldt dan vervolgens dat ook de verdachte wist, gelet op de inhoud van genoemde berichten, dat [medeverdachte 1] als minister van VROMI beslissende invloed had op het afgeven van een vergunning en de snelheid van de vergunningaanvraag. [Medeverdachte 1] gaf bijvoorbeeld bij de verdachte aan dat hij een vergunningaanvraag kon vertragen, op het moment dat hij (op verzoek van de verdachte) zou beslissen om te wachten met het plaatsen van zijn handtekening onder een adviesblad.
Door de verdachte op voornoemde wijze te informeren, (in opdracht van de verdachte) te wachten met het plaatsen van zijn handtekening en interne overheidsdocumenten te verstrekken aan de verdachte, heeft de verdachte van [medeverdachte 1] op zijn minst genomen een voorkeursbehandeling gekregen bij de aanvragen van bouwvergunningen. Daarbij geldt dat, voor zover is betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk heeft gewacht met het plaatsen van zijn handtekening (en de tegenprestatie dus niet heeft geleverd), er nog steeds sprake is van omkoping. De hierna te noemen giften en beloften moeten immers worden bezien in het licht van de relatie tussen [medeverdachte 1] en de verdachte en de daarmee bewerkstelligde voorkeursbehandeling. Dat vergunningen vervolgens op een later moment rechtmatig zijn afgegeven, doet naar het oordeel van het Gerecht aan het voorgaande evenmin af.
Uit de berichten vloeit voorts naar het oordeel van het Gerecht voort dat aan [medeverdachte 1] als beloning voor het geven van deze voorkeursbehandeling aan de verdachte, ‘(grafted) mango’s’ werden betaald/beloofd. Dat deze ‘mango’s’ ook in relatie stonden tot de vergunningaanvragen en dat [medeverdachte 1] en de verdachte ook allebei wisten dat het hiervoor bedoeld was, komt naar het oordeel van het Gerecht zonder twijfel tot uitdrukking in het feit dat, op het moment dat [medeverdachte 1] aangeeft dat vergunningaanvraag [bouwvergunning 1] rond is, [verdachte] direct reageert met: ‘some more mango’s’. Hieruit volgt eveneens dat er klaarblijkelijk al eerder is betaald (waarmee sprake is van een gift).
Er werden ook afspraken gemaakt om de ‘mango’s’ aan te nemen door [medeverdachte 1] (‘We were to go for mangos this weekend, what happened?’
)waarbij hij alleen ‘grafted mango’s’ wilde. Door op regelmatige basis (de belofte van) mango’s’ aan te nemen van de verdachte, komt naar het oordeel van het Gerecht zonder enige twijfel naar voren dat [medeverdachte 1] wist dat dit uitsluitend werd gedaan vanwege zijn werkzaamheden in het kader van de vergunningsaanvragen waarbij de verdachte als tussenpersoon betrokken was. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het oogmerk van de verdachte op het voorgaande was gericht en dat hij daarmee aldus een ambtelijke handeling heeft willen beïnvloeden.
Het Gerecht gaat hierbij voorbij aan het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn geweest van mango’s in de zin van een fruitsoort. Los van het feit dat het geven (of de belofte van het geven) van mango’s als fruitsoort ook als een tegenprestatie kan worden gezien, is het Gerecht van oordeel dat, gelet op de context waarin over ‘mango’s’ wordt gesproken, namelijk in het kader van een vergunningsaanvraag en tegen de achtergrond dat [verdachte] aangeeft dat hij er niet via WhatsApp over wilt spreken, met ‘mango’s’ (versluierd) geld werd bedoeld. Het Gerecht betrekt bij dit oordeel verder de gehele gang van zaken met betrekking tot de (poging tot) overdracht van de ‘mango’s’. [Verdachte] geeft in een gesprek van 7 augustus 2017 met [medeverdachte 1] namelijk aan: ‘He want to send electronic and I said no’, terwijl daarvoor door [medeverdachte 1] wordt gevraagd aan [verdachte]: ‘We were to go for the mangos this weekend, what happened?’. Het Gerecht leidt uit dit gesprek af dat de verdachte de ‘mango’s’ niet elektronisch wil verstrekken en dat er daarom enige vertraging is bij de overdracht van de ‘mango’s’. Deze opmerking zou bij normale mango’s, als fruitsoort, niet nodig zijn geweest. Immers, mango’s kunnen per definitie niet elektronisch worden verzonden. Deze opmerking past naar het oordeel van het Gerecht daarentegen wel bij het verzenden van ‘mango’s’ in de zin van geld. Dat de verdachte deze geldbedragen niet elektronisch wilde verzenden is ook voorstelbaar, omdat hierdoor niet kan worden getraceerd wat de hoogte van de geldbedragen is geweest en ook niet wie de verzender en ontvanger daarvan was. Het is een feit van algemene bekendheid dat de overdracht van crimineel geld in het algemeen daarom contant plaatsvindt en dat is naar het oordeel van het Gerecht ook wat de verdachte in voornoemd bericht afspreekt met [medeverdachte 1].
Het Gerecht komt verder tot het oordeel dat [medeverdachte 1] met zijn handelen eveneens in strijd met zijn plicht heeft gehandeld.
Voor zover er een directe relatie bestaat tussen de betaling van ‘(grafted) mango’s’ enerzijds en het afgeven van vergunningen anderzijds, levert dit naar zijn aard reeds ‘in strijd met de plicht op’. Voor de ‘(grafted) mango’s’ die direct werden beloofd door de verdachte, nadat [medeverdachte 1] heeft gezegd dat de vergunning is afgerond, is dit eveneens het geval.
[Medeverdachte 1] wist op basis van de door hem afgelegde eed dat dit niet was toegestaan.
Ook uit de jurisprudentie volgt dat het verlenen van giften en het doen van beloftes om zo een voorkeursbehandeling te doen ontstaan, vallen onder ‘in strijd met de plicht’, omdat de onpartijdigheid en objectiviteit van [medeverdachte 1] als minister van het ministerie van VROMI in het uitoefenen van zijn discretionaire bevoegdheden verdwijnt. Daarvan is, zoals hiervoor reeds overwogen, ook voldoende gebleken. [Medeverdachte 1] kon door zijn verhouding met de verdachte niet langer een objectief-zakelijke houding ten opzichte van hem hebben, waardoor [medeverdachte 1] niet meer onpartijdig en objectief was in de uitoefening van zijn functie. Dat [medeverdachte 1] ook wist dat wat hij deed niet door de beugel kon, blijkt uit het hiervoor aangehaalde bericht, inhoudende dat hij de verdachte erop aansprak dat de stukken die hij ontving van [medeverdachte 1], niet mocht doorsturen.
Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het Gerecht dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan actieve ambtelijke omkoping met plichtsverzuim. Van contra-indicaties is naar het oordeel van het Gerecht niet gebleken.
Daarmee kan naar het oordeel van het Gerecht het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.
Conclusie feit 2 (medeplegen misbruik van functie)
Voortbordurend op wat hiervoor al is vastgesteld en overwogen, is het Gerecht van oordeel dat eveneens sprake is van het medeplegen van misbruik van functie door [medeverdachte 1] en de verdachte.
[Medeverdachte 1] heeft immers allereerst onrechtmatig voornoemde interne overheidsdocumenten gedeeld met de verdachte, gelet op de bepalingen in de LOB. Verzoeken tot verstrekking van documenten ex artikel 3 LOB Pro heeft het Gerecht niet aangetroffen in het dossier. Het is het Gerecht ook niet anderszins gebleken dat een dergelijk verzoek is gedaan door bijvoorbeeld de verdachte. Sterker nog, conform artikel 12 LOB Pro zijn de adviesbladen alleen voor intern gebruik bedoeld, ongeacht of er een verzoek ex artikel 3 LOB Pro is ingediend. Van een rechtmatige verstrekking van de in de bewijsmiddelen genoemde documenten is het Gerecht dan ook niet gebleken.
Bovendien blijkt ook uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] en de verdachte zich beiden er terdege van bewust waren dat zij deze interne overheidsdocumenten niet mochten delen met derden.
Verder versnelde of vertraagde [medeverdachte 1] op verzoek van de verdachte het beslisproces van aanvragen van bouwvergunningen waarbij de verdachte de tussenpersoon was. Ook gaf de verdachte [medeverdachte 1] de opdracht om vergunningsaanvragen van anderen te vertragen, zoals bijvoorbeeld bij het project van de [aanvrager bouwvergunning 3], zodat de verdachte zijn ‘[project]’ eerst kon afronden. Het Gerecht is van oordeel dat [medeverdachte 1] als minister van VROMI met deze handelingen ernstig laakbaar heeft gehandeld en dat de verdachte zich hier ook bewust van was en daar actief aan heeft bijgedragen.
[Medeverdachte 1] was in staat om voornoemde handelingen te verrichten vanwege zijn functie als minister van VROMI. Hij was immers eindverantwoordelijk voor het afgeven van bouwvergunningen. Zonder zijn handtekening kon een bouwvergunning simpelweg niet worden verstrekt. De verdachte wist daarom dat hij van [medeverdachte 1] op voornoemde wijze een voorkeursbehandeling kon krijgen bij de aanvraag van bouwvergunningen. Het belang van een voorkeursbehandeling voor de verdachte bij de aanvraag van een bouwvergunning is naar het oordeel van het Gerecht ook helder en concreet. Aangezien hij naar eigen zeggen als tussenpersoon werd betaald op basis van het ‘no cure no pay’-principe had hij er alle belang bij dat een vergunningaanvraag waarbij hij betrokken was, succesvol zou worden afgerond.
De hiervoor beschreven gedragingen van [medeverdachte 1] zouden naar het oordeel van het Gerecht bij een normale uitoefening van zijn functie achterwege zijn gebleven. Het contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] over de vergunningaanvragen ging veel verder dan enkel laagdrempelig en onschuldig contact tussen een burger en een minister, al dan niet via een ‘open vrijdag’. Voornoemde handelingen zijn door [medeverdachte 1] immers verricht om geld te ontvangen van de verdachte. [Medeverdachte 1] heeft daarmee zijn eigen financieel belang en dat van de verdachte vooropgesteld in plaats van, zoals de door [medeverdachte 1] afgelegde eed vereist, het belang van het Land Sint Maarten.
Het Gerecht komt aldus tot de conclusie dat bij de hiervoor besproken feiten en omstandigheden opzettelijk door [medeverdachte 1] en de verdachte misbruik is gemaakt van de functie van [medeverdachte 1] als minister van VROMI. Hierbij was op basis van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. Verdachtes hiervoor omschreven bijdrage aan het delict is van voldoende gewicht om hem als medepleger te kwalificeren.
Daarmee kan naar het oordeel van het Gerecht het onder 2 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

6.Bewezenverklaring

Het Gerecht acht – op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 (omkoping ambtenaar (ZD1))
hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten,
meermalen
een ambtenaar, te weten [medeverdachte 1], (demissionair) Minister van
het ministerie vanVolkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (hierna: “VROMI”), gift(en) en/of belofte(n) heeft gedaan of verleend of aangeboden, te weten:
- één of meer geldbedrag(en), aangeduid als mango’s en/of ‘
grafted’ mango’s en/of ‘
electronic’ mango’s,
met het oogmerk om [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening, als (hoogste) ambtenaar van het Ministerie van VROMI, in strijd met zijn plicht handelend, iets te doen of na te laten en/of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 1] in zijn huidige of vroegere bediening, als (hoogste) ambtenaar van het Ministerie van VROMI, in strijd met zijn plicht handelend, is gedaan of nagelaten,
te weten het:
  • (anders dan om (enkel) zakelijke redenen) onderhouden van een relatie tussen hem ([medeverdachte 1]) en verdachte, teneinde voor verdachte een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen, en/of verdachte te begunstigen; en
  • (met aanwending van [medeverdachtes 1] invloed als (hoogste) ambtenaar van het Ministerie van VROMI) zorgdragen voor en/of zich inspannen voor het versnellen of vertragen en/of uitstellen van (bekendmaking van) (de) beslissing(en) op één of meer (bouw)vergunning(en); en
  • aan/met hem, verdachte, sturen en/of verstrekken en/of delen van (nog) vertrouwelijke en/of interne overheids- en/of (nog) niet-openbare informatie.
Feit 2 (misbruik van functie (ZD 1))
hij in de periode van
10 mei 2017tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], welke [medeverdachte 1] handelend als ambtenaar, werkzaam als (demissionair) Minister van
het ministerie vanVROMI,
meermalen
opzettelijk met misbruik van [medeverdachtes 1] functie of positie iets heeft gedaan of heeft nagelaten te doen,
namelijk door anders dan om (enkel) zakelijke redenen:
- aanwijzingen en/of instructies aan die [medeverdachte 1] te geven om beslissing(en) op bouwvergunningen [bouwvergunning 1] en/of [bouwvergunning 2] en/of [bouwvergunning 3], te versnellen en/of te vertragen en/of uit te stellen en/of (nog) vertrouwelijke en/of interne overheids- en/of (nog) niet openbare informatie over de procedure en/of het beslisproces (adviesblad(en)) met hem, verdachte, te delen,
teneinde enig voordeel voor hemzelf, verdachte, te verkrijgen, te weten betalingen van werkzaamheden ten gunste van verdachte,
en
teneinde
één of meerdere geldbedrag(en), aangeduid als mango’s en/of ‘grafted’ mango’s en/of ‘electronic’ mango’svoor [medeverdachte 1] te verkrijgen;

7.Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn voorzien bij en strafbaar gesteld in artikelen 1:123, 2:128, 2:129 en 2:354 van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten worden als volgt gekwalificeerd:
feit 1:
Aan een ambtenaar een belofte en/of een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd.
feit 2:
Medeplegen van het als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen teneinde enige voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

8.Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

9.Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door de Gerechten en het Hof plegen te worden opgelegd. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) misbruik van functie en omkoping van de toenmalig minister van het ministerie van VROMI. Dit zijn ernstige misdrijven. De verdachte heeft door zijn handelen, uitsluitend voor eigen financieel gewin, de integriteit van een minister en daarmee het vertrouwen dat burgers in het openbaar bestuur moeten kunnen hebben, ernstig aangetast. Het handelen van de verdachte heeft bovendien een ondermijnende invloed op de samenleving als geheel en beschadigt het aanzien van het Land Sint Maarten.
Het belang van generale preventie weegt in deze zaak zwaar. Voor de samenleving moet buiten twijfel staan dat een handelwijze als die van de verdachte ontoelaatbaar is, nu slechts op die wijze kan worden gewaakt over de integriteit van het landsbestuur van Sint Maarten.
Dat de bewezenverklaarde feiten inmiddels langer geleden hebben plaatsgevonden doet niet af aan de ernst van de feiten. Wel is het Gerecht, overigens in lijn met het Openbaar Ministerie, van oordeel dat dit tot uitdrukking dient te komen in de strafmaat.
Bij de strafoplegging heeft het Gerecht tot slot acht geslagen op de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daaruit volgt onder meer dat de verdachte een blanco strafblad heeft. Gebleken is voorts, uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken alsmede uit de door de verdachte gegeven toelichting ter terechtzitting, dat de verdachte ernstig en langdurig ziek is.
Het Gerecht acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.
Redelijke termijn
Het Gerecht constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Gerecht gaat er vanuit dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op de datum van zijn eerste verhoor in deze zaak, 15 maart 2023. Daarmee was immers sprake van een handeling waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Tussen die datum en de datum waarop het Gerecht vonnis zal wijzen (26 maart 2026) ligt een periode die de redelijke termijn met 12 maanden overschrijdt. Naar het oordeel van het Gerecht komt deze overschrijding voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking. In lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578) bedraagt die strafkorting één maand.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 Sr Pro, zoals deze luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde voor zover dat ziet op de periode vóór 10 mei 2017;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert de bewezenverklaarde feiten als hiervoor omschreven;
verklaart de bewezenverklaarde feiten strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
11 (elf) maanden.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.C. Bours, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittingsgriffier), en op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten (met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Curaçao alwaar de rechter en de griffier zich bevinden).

Voetnoten

1.Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften.
2.Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Voorts wordt opgemerkt dat in sommige bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Sint Maarten.
3.Een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2023, pagina 141 van het zaaksdossier 1.
4.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 850 tot en met 857 van zaaksdossier 1.
5.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina 88 tot en met 93 van zaaksdossier 1.
6.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 191 tot en met 195 van zaaksdossier 1.
7.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 191 tot en met 195 van zaaksdossier 1.
8.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina 88 tot en met 93 van zaaksdossier 1.
9.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 191 tot en met 195 van zaaksdossier 1.
10.De door verdachte ter terechtzitting van 2 februari 2026 afgelegde verklaring.
11.Een proces-verbaal van bevindingen mails omkoping bouwvergunning, pagina 72 en 73 van zaaksdossier 1 en document D-193.6, pagina 1130 van de map Documenten.
12.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1], pagina 837 tot en met 842 van persoonsdossier [betrokkene 1].
13.Een proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2022, pagina 109 en 110 van zaaksdossier 1.
14.Een proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2022, pagina 111 en 112 van zaaksdossier 1.
15.Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 98 tot en met 102 van zaaksdossier 1, en een proces-verbaal van bevindingen, pagina 113 tot en met 132 van zaaksdossier 1.
16.Een proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2022, pagina 139 en 140 van zaaksdossier 1.
17.Een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2023 pagina 141 tot en met 152 van zaaksdossier 1.
18.Schriftelijke bescheiden, zijnde een adviesblad behorende bij vergunningaanvraag [bouwvergunning 2], genummerd als D-219, pagina 1299 van de map Documenten en D-221, pagina 1306 van de map Documenten.
19.Zie voor de verschillen tussen het origineel en de duplicaat de documenten D-221 (origineel), pagina 1306 van de map Documenten, en D-219 (duplicaat), pagina 1301 van de map Documenten.
20.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 850 tot en met 857 van het persoonsdossier [verdachte].
21.Schriftelijke bescheiden (D-234), zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1], pagina 1329 tot en met 1339 van de map Documenten.
22.Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van 19 augustus 2016 ((D-227), pagina 1317 van de map Documenten.
23.Een schriftelijk bescheid, zijnde een memo van 22 juni 2017 (D-228), pagina 1318 van de map Documenten.
24.Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 maart 2023, pagina 850 tot en met 857 van het persoonsdossier [verdachte].
25.Schriftelijke bescheiden (D-234), zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1], pagina 1327 en 1328 van de map Documenten.
26.Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 113 tot en met 132 van zaaksdossier 1.
27.Zie ook de memorie van toelichting waarin staat vermeld dat een minister voor de strafwet als ambtenaar wordt beschouwd.