ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7909

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HLAR 49869/12
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 LTUArt. 8 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verblijfsvergunning gezinsvorming wegens onvoldoende middelen

De vreemdeling, woonachtig in Guyana, verzocht om een vergunning tot tijdelijk verblijf op grond van gezinsvorming met haar echtgenoot die sinds 2000 in Curaçao verblijft. De minister van Justitie weigerde de aanvraag omdat niet was aangetoond dat de vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt, zoals vereist volgens de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU).

De vreemdeling stelde dat het beleid inzake gezinsvorming onjuist was toegepast en dat de inkomenseis niet op haar van toepassing was omdat zij zelf om toelating verzocht. Ook voerde zij aan dat de termijn van één jaar voor het indienen van de aanvraag buiten toepassing moest worden gelaten wegens strijd met artikel 8 EVRM Pro. Het Hof verwierp deze bezwaren en oordeelde dat het aan de vreemdeling was om aannemelijk te maken dat zij aan de inkomenseis voldeed, hetgeen niet was gebeurd.

Het Hof overwoog verder dat de weigering geen inmenging in het recht op gezinsleven oplevert, omdat de vreemdeling geen objectieve belemmeringen voor gezinsleven in haar land van herkomst had aangetoond. Het belang van het land bij een restrictief toelatingsbeleid woog zwaarder dan het belang van de vreemdeling bij verblijf in Curaçao.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg bevestigd, met een verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.

Uitspraak

HLAR 49869/12
Datum uitspraak: 14 december 2012
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Vreemdeling], wonend in Guyana,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 5 april 2012 in zaak nr. Lar 2011/49869 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij beschikking van 1 juli 2011 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante (hierna: de vreemdeling) om haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 5 april 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 21 mei 2012, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2012, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Kleist, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.J. Victorina, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: LTU) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd:
a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;
b. indien niet kan worden aangetoond dat degene, voor wie toelating wordt verzocht, over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
2.2. De vreemdeling betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de minister ten onrechte het volgens hoofdstuk 4, paragraaf 4.1, van de door de minister van Justitie aan de gezaghebbers gegeven Herziene instructie inzake de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit van juni 2006 (hierna: de instructie) gevoerde beleid inzake gezinsvorming op de aanvraag heeft toegepast, nu dat inzake gezinshereniging daarop van toepassing is en aan de volgens dat beleid voor toelating gestelde vereisten wordt voldaan.
2.2.1. Dat betoog faalt. Volgens hoofdstuk 4, paragraaf 4.1, van de instructie wordt onder gezinsvorming verstaan: verblijf op grond van een huwelijk, gesloten op een tijdstip dat één van de echtgenoten al binnen de Nederlandse Antillen verbleef. Niet in geschil is dat de echtgenoot van de vreemdeling voor het eerst in 2000 is toegelaten en zij op 1 januari 2008 met hem is gehuwd. Het huwelijk is derhalve gesloten, toen de echtgenoot op Curaçao verbleef. Het Gerecht heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het inzake gezinsvorming gevoerde beleid.
2.3. De vreemdeling betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat de minister aan de weigering ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat haar echtgenoot niet heeft aangetoond dat aan het in paragraaf 3.7 van de instructie gestelde inkomensvereiste is voldaan. Daartoe voert zij aan dat volgens die paragraaf uitsluitend aan de vreemdeling die voor zijn echtgenoot van vreemde nationaliteit toelating aanvraagt, een inkomenseis wordt gesteld, maar niet aan de vreemdeling die zelf om toelating verzoekt. Omdat zij zelf om toelating heeft verzocht, mocht de minister haar niet tegenwerpen dat haar echtgenoot niet heeft aangetoond dat hij aan het inkomensvereiste voldoet en moet worden aangenomen dat zij zelfstandig over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
Ook heeft het volgens haar miskend dat het in paragraaf 4.1 van de instructie gestelde dat een aanvraag om toelating voor gezinsvorming binnen één jaar na de huwelijksdatum moet worden ingediend, ten onrechte niet buiten toepassing is gelaten wegens strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.3.1. Ook dat betoog faalt. Paragraaf 3.7 van de instructie vermeldt normbedragen voor echtgenoten zonder kinderen, met daarbij op te tellen bedragen per kind dat van het gezin deel uitmaakt. Deze bedragen gelden voor het gezin waarvan de desbetreffende vreemdeling na de gezinsvorming deel uitmaakt.
Het was aan de vreemdeling om tegenover de minister aannemelijk te maken dat aan de aan een gezin als het hare gestelde norm wordt voldaan. De vreemdeling heeft bij de aanvraag geen stukken overgelegd om aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Het Gerecht heeft reeds om die reden terecht, zij het op andere gronden, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Aan de voor het eerst in beroep overgelegde verklaring van de werkgever van de echtgenoot dat diens inkomen Naf. 42.223,95 per jaar bedraagt en de arbeidsovereenkomst, waarin staat dat het inkomen van de echtgenoot Naf. 4.500,00 per maand bedraagt, heeft het Gerecht terecht niet de betekenis gehecht die de vreemdeling daaraan gehecht wilde zien, reeds omdat de juistheid van die verklaring niet door enig document van een officiële instantie wordt gestaafd.
Het betoog dat het Gerecht heeft miskend dat het vereiste dat de aanvraag binnen één jaar na de huwelijksdatum moest worden gedaan, buiten toepassing moet worden gelaten, behoeft, gelet op het vorenstaande, geen bespreking.
2.4. De vreemdeling betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat de minister haar de verzochte vergunning ingevolge artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden niet mocht weigeren.
2.5. Dat betoog faalt evenzeer. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat de in beroep bestreden beschikking er niet toe strekte de vreemdeling een verblijfstitel te ontnemen die haar tot familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde en daarom geen inmenging, als bedoeld in die verdragsbepaling, oplevert. Zodanig bijzondere omstandigheden, dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven voor de minister een positieve verplichting voortvloeit om de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen, hoewel zij daarvoor volgens het gevoerde beleid niet in aanmerking komt, heeft het met juistheid niet aangenomen. Het heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat objectieve belemmeringen bestaan voor familie- of gezinsleven in Guyana, het land van haar herkomst. Het heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister het belang van het land bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid niet zwaarder mocht laten wegen dan dat van de vreemdeling bij verblijf in Curaçao.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden, waarop deze rust.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.
w.g. Drop
Voorzitter w.g. Isenia
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,