Uitspraak
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
de griffier,
voor deze,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur wees het verzoek van een appellant om een taxivergunning af, omdat hij tevens een watersportonderneming exploiteerde. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van de appellant gegrond en bepaalde dat de minister de vergunning moest verlenen. De minister ging hiertegen in hoger beroep.
Het Hof oordeelde dat artikel 7, derde lid, van de Landsverordening Personenvervoer vereist dat de exploitatie van de taxi het hoofdmiddel van bestaan moet zijn, maar dat dit niet uitsluit dat de vergunninghouder ook andere middelen van bestaan kan hebben. De exploitatie van een watersportonderneming betekent daarom niet automatisch dat niet aan deze eis wordt voldaan.
De appellant was onbezoldigd directeur van de vennootschap waarin de watersportonderneming was ondergebracht, hetgeen niet werd weersproken door de minister. Hierdoor achtte het Hof bewezen dat de exploitatie van de taxi het hoofdmiddel van bestaan was. Omdat de appellant zelf als bestuurder van de taxi zou optreden en geen andere belemmeringen voor vergunningverlening bestonden, bevestigde het Hof de uitspraak van het Gerecht en wees het hoger beroep van de minister af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de taxivergunning moet aan de appellant worden verleend.