Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De gronden van de hoger beroepen
3.Beoordeling
Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, Deel 1, 2016, p. 1095-1096):
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak stond centraal of de geïntimeerde aanspraak kon maken op verzorgingsvruchtgebruik van de nalatenschap van de overleden erflater, met wie hij meer dan tien jaar als waren zij gehuwd had samengeleefd. De erflater was overleden op 11 maart 2014 en de enige erfgenaam was de appellante, zus van de erflater.
Het Hof heeft uitgebreid bewijs onderzocht, waaronder schriftelijke verklaringen en getuigenverhoren, en vastgesteld dat de geïntimeerde en de erflater inderdaad langdurig een affectieve relatie en samenwoning hadden. Niettemin waren er twijfels over de mate van wederzijdse verzorging en lotsverbondenheid, mede omdat de geïntimeerde niet bij het overlijden aanwezig was, niet ingeschreven stond op het adres, en afhankelijk was van overheidssteun.
Op grond van artikel 4:30b lid 1 BW heeft de rechter discretionaire bevoegdheid om het verzorgingsvruchtgebruik toe te kennen indien dit redelijk is. Het Hof oordeelde dat, ondanks de langdurige samenwoning, het niet redelijk was om de geïntimeerde gelijk te stellen met een langstlevende echtgenoot voor het toekennen van verzorgingsvruchtgebruik.
Daarom vernietigde het Hof de eerdere beschikking en wees het verzoek van de geïntimeerde af. De kosten van de procedure werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het Hof wijst het verzoek tot toekenning van verzorgingsvruchtgebruik af wegens onvoldoende redelijkheid ondanks langdurige samenwoning.