Uitspraak
[GEÏNTIMEERDE 1],
[GEÏNTIMEERDE 2],
[GEÏNTIMEERDE 3],
[GEÏNTIMEERDE 4],
[GEÏNTIMEERDE 5],
[GEÏNTIMEERDE 6],
[GEÏNTIMEERDE 7],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Een man, getrouwd sinds 1963, woonde vanaf 1984 samen met een andere vrouw tot zijn overlijden in 2019 in Sint Maarten. De samenwonende vrouw vorderde in eerste aanleg en hoger beroep onder meer een vruchtgebruik op een appartement uit de nalatenschap.
Het Gerecht wees haar vorderingen af en het Hof bevestigde dit oordeel. Het Hof overwoog dat de vrouw niet gelijkgesteld kan worden aan een echtgenoot op grond van het erfrecht van Sint Maarten, dat van toepassing is vanwege de laatste gewone verblijfplaats van de erflater. De eis tot vestiging van vruchtgebruik kon niet worden toegewezen, mede omdat er geen bindende overeenkomst was gesloten over het vruchtgebruik.
Verder nam het Hof mee dat de vrouw inkomsten heeft uit verhuurde appartementen en eigendom bezit in de Dominicaanse Republiek, wat haar behoefte aan een verzorgingsvruchtgebruik vermindert. Het hoger beroep werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis en wijst de vorderingen van de samenwonende vrouw af, zonder haar gelijk te stellen aan een echtgenoot voor het erfrecht.