Uitspraak
1.wijlen [APPELLANTE 1],
[APPELLANTE 2],
[APPELLANTE 3],
[APPELLANT 4],
[APPELLANT 5],
[APPELLANTE 6],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de eerste aanleg over het recht van opstal op een perceel in Aruba. De primaire vordering betrof de verkrijging van een recht van opstal door verjaring, met een subsidiaire vordering tot erkenning van huurderschap. Tijdens het hoger beroep is gebleken dat een van de appellanten is overleden, waarna de vraag rijst wie de procespositie mag innemen. Het hof benadrukt dat de gezamenlijke erfgenamen de procedure kunnen voortzetten, maar verzoekt om een verklaring van erfrecht en het standpunt van alle erfgenamen.
Daarnaast is slechts van één appellant een bewijs van onvermogen overgelegd, waardoor kosteloos procederen niet aan alle appellanten kan worden verleend. Verder is vastgesteld dat appellanten niet het bedrag van het direct geldelijk belang hebben vermeld, waardoor het griffierecht moet worden nageheven. Het hof stelt appellanten in de gelegenheid dit bedrag binnen zes weken te voldoen.
Geïntimeerde 1 is niet verschenen in hoger beroep. Het hof verwijst de zaak naar een rolzitting voor het indienen van akten door appellanten en houdt verdere beslissingen aan. Het vonnis is gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof en op 26 juni 2018 uitgesproken.
Uitkomst: De zaak is aangehouden en verwezen naar een rolzitting voor nadere procedurele afhandeling na naheffing griffierecht en overleg erfrecht.