Uitspraak
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van het Gerecht.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de Inspecteur de verzuimboete van NAf 1.000,- voor het niet tijdig indienen van de aangifte winstbelasting 2013 tijdig heeft opgelegd. De Inspecteur stelde dat de indieningstermijn met een maand was verlengd tot 31 juli 2014, waardoor de boete uiterlijk 31 juli 2015 opgelegd kon worden. Belanghebbende betwistte deze verlenging en stelde dat hij hiervan niet op de hoogte was.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur de bewijslast draagt voor het aannemelijk maken van een afwijkende regeling van de wettelijke indieningstermijn. De Inspecteur bracht geen concreet bewijs, zoals publicaties in kranten, aan dat de verlenging bekend was gemaakt. Hierdoor kon het Hof niet aannemen dat de termijn was verlengd.
De Inspecteur had de boete uiterlijk op 30 juni 2015 moeten opleggen, wat niet is gebeurd. Daarom verklaarde het Hof het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en bevestigde de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, waarin de boetebeschikking werd vernietigd.
De uitspraak werd gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 9 augustus 2018. Partijen kunnen binnen twee maanden beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.