Uitspraak
[GEINTIMEERDE SUB 1]
[GEINTIMEERDE SUB 2]in rechte vertegenwoordigd door haar bewindvoerder
[NAAM],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Op 6 november 2018 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het hoger beroep behandeld van een ex-partner tegen de erfgenamen van een overledene zonder testament.
De ex-partner vorderde betaling van bedragen uit de nalatenschap, teruggave van persoonlijke eigendommen en een briljant, gebaseerd op mondelinge afspraken en onderhandse akten. De erfgenamen betwistten de echtheid van de handtekeningen en de rechtsgeldigheid van de afspraken.
Het Hof oordeelde dat de ex-partner onvoldoende bewijs leverde voor de gestelde afspraken en eigendomsrechten. De onderhandse akten kregen geen dwingende bewijskracht, en de relatie tussen partijen was tumultueus met conflicten over geld. De vorderingen werden afgewezen en de ex-partner werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Het Hof benadrukte dat de nalatenschap nog niet is vereffend en dat mogelijke emotionele waarde van goederen niet leidt tot eigendomsrecht zonder bewijs. De zaak illustreert het belang van schriftelijke en notariële vastlegging van afspraken omtrent nalatenschappen.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis dat de vorderingen van de ex-partner worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs.